Kind Leidster Ratio Berekenen

Kind Leidster Ratio Berekenen
Bijvoorbeeld: voor baby’s (nuljarigen) geldt een beroepskracht kind ratio van 1 op 3: 1 pedagogisch medewerker mag 3 kinderen van 0 jaar opvangen. In de bso geldt voor kinderen boven de 7 jaar een beroepskracht- kind ratio van 1 op 12: 1 pedagogisch medewerker mag 12 kinderen tussen de 7 en 12 jaar opvangen.

Hoe groot mag een BSO zijn?

Buitenschoolse opvang – Er is ook een speciaal rekenmodel gemaakt voor de bso. Ook daar tekent zich een andere ratio af in een horizontale dan een verticale groep. In een groep binnen de leeftijdscategorie 4-7 jaar, mag één pm’er maximaal 10 kinderen opvangen en twee pm’ers 20 kinderen.

  • Is de groep voor 4-12 jarigen, dan mag één pm’er 11 kinderen opvangen en twee pm’ers 22.
  • Dat betekent wel dat er maximaal 9 van de 11 kinderen jonger dan 7 jaar mogen zijn.
  • Vanaf dat een kind 7 jaar is, mag een pm’er 12 kinderen opvangen.
  • De maximale groepsgrootte voor deze kinderen mag 30 kinderen bedragen.

Hier moeten dan wel drie pedagogisch medewerkers op staan. Hier staat het rekenmodel voor de buitenschoolse opvang:

Wat is 3 uurs regeling kinderopvang?

Drie-uursregeling kinderopvang Deze informatie is geplaatst door: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) ± 1 min lezen Heeft u een kinderopvang? Dan moet u zich houden aan de drie-uursregeling. Deze regeling bepaalt dat u maximaal 3 uur per dag mag afwijken van de beroepskracht-kindratio (BKR). U mag tijdens deze uren minder pedagogisch medewerkers inzetten dan dat u volgens de BKR verplicht bent.

U mag maximaal 3 uur per dag afwijken van de,U moet tijdens deze uren minimaal de helft van de BKR-verplichte medewerkers inzetten.U mag de 3 uur verspreiden over de dag.Uw kinderopvang moet minimaal 10 uur achter elkaar open zijn.

Vanaf 1 juli 2023 verandert de drie-uursregeling kinderopvang. U hoeft dan bijvoorbeeld niet meer vooraf de tijdstippen waarop u afwijkt van het BKR vast te leggen in uw pedagogisch beleidsplan., U zet de uren in uw, Hierin zet u:

op welke uren u afwijkt van de BKR.op welke uren u niet afwijkt van de BKR.

Doet u dit niet? Dan mag u niet afwijken van de BKR kinderopvang. De uren die u afwijkt mogen per dag verschillen, maar moeten iedere week hetzelfde zijn. En u laat de ouders weten wanneer u afwijkt van de BKR. In uw buitenschoolse opvang (BSO) mag u ook afwijken van de BKR. Hiervoor gelden andere voorwaarden dan aan de kinderdagopvang:

U mag maximaal een half uur per dag afwijken van de BKR.U mag alleen voor en na schooltijd, en op vrije middagen afwijken van de BKR.U moet minimaal de helft van de medewerkers inzetten die volgens de BKR verplicht is.U hoeft de uren die u afwijkt niet te melden in uw pedagogisch beleidsplan

In de vakantie en op vrije dagen geldt de drie-uursregeling zoals in de kinderdagopvang. Neem contact op met Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) Ondernemersplein Alles van de overheid op één plek Over deze site Ondernemersplein is een initiatief van: : Drie-uursregeling kinderopvang

Wat betekent het vaste gezichten criterium?

Vaste-gezichtencriterium Deze informatie is geplaatst door: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) ± 1 min lezen Heeft u een kinderopvang? Dan moet u zich houden aan het vaste-gezichtencriterium. Als het kind aanwezig is, werkt er altijd minimaal 1 vast gezicht van het kind op de groep. Het vaste gezichtencriterium geldt per kind.

  1. Een vast gezicht is een pedagogisch medewerker die altijd werkt als het kind aanwezig is in de kinderopvang.
  2. Als een kind altijd 1 vaste, vertrouwde pedagogisch medewerker ziet geeft dat sociaal-emotionele veiligheid.
  3. Voor baby’s (nuljarigen) geldt een ander aantal vaste gezichten (vaste-gezichtencriterium) dan voor oudere kinderen.

Naast het vaste gezicht kunnen er ook andere pedagogisch medewerkers op de groep werken. Een pedagogisch medewerker mag het vaste gezicht zijn voor:

maximaal 3 baby’s (tot 1 jaar)maximaal 5 kinderen van 1 tot 2 jaarmaximaal 8 kinderen van 2 tot 4 jaarmaximaal 10 kinderen van 4 tot 7 jaarmaximaal 12 kinderen van 7 en ouder

Met de berekent u hoeveel pedagogisch medewerkers uw kinderopvang nodig heeft.

Hoeveel stamgroepen mag een kind hebben?

Besluit van 23 augustus 2017 tot het stellen van eisen aan de kwaliteit van de kinderopvang en het peuterspeelzaalwerk (Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzaalwerk) Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz.

  • Enz. enz.
  • Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 mei 2017, nr.2017-0000080440; Gelet op de artikelen 1.45, vierde lid, 1.49, tweede lid, 1.50, tweede lid, 1.51a, vijfde lid, 1.56, tweede lid, 1.56b, tweede lid, 2.2, derde lid, 2.5, tweede lid, 2.6, tweede lid en 2.9a, vijfde lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen ; De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 21 juni 2017, nr.

W12.17.0150/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 augustus 2017, 2017-0000133405; Hebben goedgevonden en verstaan: In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

basisgroep: vaste groep kinderen in de buitenschoolse opvang; dagopvang: kinderopvang verzorgd door een kindercentrum voor kinderen tot de leeftijd waarop zij het basisonderwijs gaan volgen; huiselijk geweld: huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 ; kindermishandeling: kindermishandeling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet ; meldcode: meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling; melding: melding aan Veilig Thuis van huiselijk geweld of kindermishandeling of van een vermoeden daarvan; stamgroep: vaste groep kinderen in de dagopvang; stamgroepruimte: binnenspeelruimte waar de stamgroep hoofdzakelijk aanwezig is; Veilig Thuis: Veilig Thuis-organisatie als bedoeld in artikel 4.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 ; wet: Wet kinderopvang,

In het kader van het bieden van verantwoorde dagopvang, draagt de houder er in ieder geval zorg voor dat, rekening houdend met de ontwikkelingsfase waarin kinderen zich bevinden:

a. op een sensitieve en responsieve manier met kinderen wordt omgegaan, respect voor de autonomie van kinderen wordt getoond en grenzen worden gesteld aan en structuur wordt geboden voor het gedrag van kinderen, zodat kinderen zich emotioneel veilig en geborgen kunnen voelen; b. kinderen spelenderwijs worden uitgedaagd in de ontwikkeling van hun motorische vaardigheden, cognitieve vaardigheden, taalvaardigheden en creatieve vaardigheden, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger te functioneren in een veranderende omgeving; c. kinderen worden begeleid in hun interacties, waarbij hen spelenderwijs sociale kennis en vaardigheden worden bijgebracht, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger relaties met anderen op te bouwen en te onderhouden, en d. kinderen worden gestimuleerd om op een open manier kennis te maken met de algemeen aanvaarde waarden en normen in de samenleving met het oog op een respectvolle omgang met anderen en een actieve participatie in de maatschappij.

1 Elk kindercentrum beschikt over een pedagogisch beleidsplan. De houder draagt er zorg voor dat er in de dagopvang conform het pedagogisch beleidsplan wordt gehandeld.

2 Een pedagogisch beleidsplan bevat ten minste een concrete beschrijving van:

a. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de aspecten van verantwoorde dagopvang, bedoeld in artikel 2 ; b. de wijze waarop de ontwikkeling van het kind wordt gevolgd en gestimuleerd en daarbij naar een doorlopende ontwikkellijn met het basisonderwijs en de buitenschoolse opvang wordt gestreefd, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op de wijze waarop:

1°. met toestemming van de ouders kennis over de ontwikkeling van het kind wordt overgedragen aan de school bij de overgang van het kind naar het basisonderwijs en aan de buitenschoolse opvang bij de overgang van het kind naar de buitenschoolse opvang, en 2°. bijzonderheden in de ontwikkeling van het kind of problemen worden gesignaleerd en ouders worden doorverwezen naar passende instanties voor verdere ondersteuning;

c. de wijze waarop de mentor, bedoeld in artikel 9, elfde lid, de verkregen informatie over de ontwikkeling van het kind periodiek met de ouders bespreekt en de wijze waarop aan de ouders en het kind bekend wordt gemaakt welke beroepskracht de mentor is van het kind; d. de werkwijze, maximale omvang en leeftijdsopbouw van de stamgroepen, en e. de wijze waarop kinderen kunnen wennen aan een nieuwe stamgroep waarin zij zullen worden opgevangen.

3 Indien van toepassing bevat het pedagogisch beleidsplan, in aanvulling op het tweede lid, tevens een concrete beschrijving van:

a. de tijden waarop, met inachtneming van artikel 7, vierde lid, kan worden afgeweken van artikel 7, tweede lid, alsmede de tijden waarop in ieder geval niet daarvan wordt afgeweken en derhalve wordt voldaan aan artikel 7, tweede lid; b. de aard en de organisatie van de activiteiten waarbij kinderen de stamgroep of de stamgroepruimte kunnen verlaten; c. het beleid ten aanzien van het gebruik kunnen maken van dagopvang gedurende extra dagdelen, en d. de taken die beroepskrachten in opleiding, stagiairs en vrijwilligers in de dagopvang kunnen uitvoeren en de wijze waarop zij hierbij worden begeleid.

4 De houder informeert de ouders nadrukkelijk over de tijden, bedoeld in het derde lid, onder a.

1 De houder heeft voor elk kindercentrum een beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en gezondheid van de op te vangen kinderen zoveel mogelijk is gewaarborgd. De houder draagt er zorg voor dat er in de dagopvang conform het veiligheids- en gezondheidsbeleid wordt gehandeld.

2 De houder of voorgenomen houder stelt het veiligheids- en gezondheidsbeleid schriftelijk vast en verstrekt dit, conform artikel 5, derde lid, onder d, van het Besluit landelijk register kinderopvang, register buitenlandse kinderopvang en personenregister kinderopvang, bij het indienen van de aanvraag, bedoeld in artikel 1.45, eerste lid, van de wet, aan het college. De houder evalueert, en indien nodig actualiseert, het veiligheids- en gezondheidsbeleid binnen drie maanden na opening van het kindercentrum. Daarna houdt de houder het veiligheids- en gezondheidsbeleid actueel.

3 Het veiligheids- en gezondheidsbeleid omvat in ieder geval:

a. een concrete beschrijving van de wijze waarop de houder er zorg voor draagt dat het veiligheids- en gezondheidsbeleid samen met de beroepskrachten een continue proces is van het vormen van beleid, implementeren, evalueren en actualiseren; b. een concrete beschrijving van de risico’s die de opvang van kinderen van het desbetreffende kindercentrum met zich brengt, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op:

1°. de voornaamste risico’s met grote gevolgen voor de veiligheid van kinderen; 2°. de voornaamste risico’s met grote gevolgen voor de gezondheid van kinderen, en 3°. het risico op grensoverschrijdend gedrag door beroepskrachten, beroepskrachten in opleiding, stagiairs, vrijwilligers, overige aanwezige volwassenen en kinderen;

c. een plan van aanpak waarin in concrete termen is aangegeven welke maatregelen binnen welke termijn zijn respectievelijk worden genomen teneinde de onder b genoemde risico’s in te perken en de handelswijze indien deze risico’s zich verwezenlijken; d. een beschrijving in algemene zin van de wijze waarop kinderen wordt geleerd om te gaan met risico’s waarvan de gevolgen voor de veiligheid en gezondheid van kinderen beperkt zijn en welke derhalve geen risico’s vormen als bedoeld onder b; e. een concrete beschrijving van de wijze waarop de houder er zorg voor draagt dat het actuele veiligheids- en gezondheidsbeleid en de evaluaties daarvan inzichtelijk zijn voor de beroepskrachten, beroepskrachten in opleiding, stagiairs, vrijwilligers en ouders, en f. indien van toepassing, een concrete beschrijving van de wijze waarop de achterwacht is geregeld indien er op grond van artikel 7, vijfde en zesde lid, slechts een beroepskracht op het kindercentrum aanwezig is.

4 In het kader van de in het plan van aanpak, bedoeld in het derde lid, onder c, te beschrijven maatregelen die gericht zijn op het inperken van het risico op grensoverschrijdend gedrag, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, onder 3°, beschrijft de houder in ieder geval de wijze waarop hij de dagopvang zodanig organiseert dat een beroepskracht, beroepskracht in opleiding of stagiair de werkzaamheden uitsluitend kan verrichten terwijl hij gezien of gehoord kan worden door een andere volwassene.

5 De houder draagt er zorg voor dat er gedurende de dagopvang te allen tijde ten minste één volwassene aanwezig is die gekwalificeerd is voor het verlenen van eerste hulp aan kinderen. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld aan deze kwalificatie.

1 De door de houder voor het personeel vast te stellen meldcode bevat ten minste de volgende elementen:

a. een stappenplan, inhoudende een omschrijving van de stappen voor het omgaan door het personeel met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling; b. een afwegingskader op basis waarvan het personeel het risico op en de aard en de ernst van het huiselijk geweld of de kindermishandeling weegt en dat het personeel in staat stelt te beoordelen of sprake is van dusdanig ernstig huiselijk geweld of ernstige kindermishandeling, dan wel van een vermoeden daarvan, dat een melding is aangewezen; c. een toebedeling van verantwoordelijkheden aan de diverse personeelsleden bij de stappen, bedoeld onder a, inclusief vermelding van de functie van degene die eindverantwoordelijk is voor de beslissing over het al dan niet doen van een melding; d. specifieke aandacht, indien van toepassing, voor bijzondere vormen van geweld, die speciale kennis en vaardigheden van personeel vereisen; e. specifieke aandacht voor de wijze waarop het personeel omgaat met gegevens waarvan zij het vertrouwelijk karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden.

2 Het in het eerste lid, onder a, bedoelde stappenplan, bevat ten minste de volgende stappen:

a. het in kaart brengen van de signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling; b. collegiale consultatie en zo nodig raadplegen van Veilig Thuis of een deskundige op het gebied van letselduiding; c. een gesprek met de ouders en, indien mogelijk, het kind; d. het toepassen van het afwegingskader, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b; e. het beslissen over:

1°. het doen van een melding, en 2°. het inzetten van de noodzakelijke hulp.

1 Beroepskrachten beschikken over een voor de werkzaamheden passende opleiding.

2 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de opleidingseisen waaraan beroepskrachten voldoen.

3 Pedagogisch beleidsmedewerkers beschikken over een voor de werkzaamheden passende opleiding.

4 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de opleidingseisen waaraan pedagogisch beleidsmedewerkers voldoen.

1 Het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten op een stamgroep wordt afgestemd op het aantal aanwezige kinderen in de stamgroep, waarbij naarmate de kinderen ouder zijn, minder beroepskrachten hoeven te worden ingezet.

2 De verhouding tussen het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten en het aantal aanwezige kinderen in een stamgroep wordt bepaald op grond van tabel 1 in bijlage 1, onderdeel a, bij dit besluit en de daarbij behorende rekenregels. Onze Minister stelt een online rekentool ter beschikking met behulp waarvan de in de eerste zin bedoelde verhouding kan worden berekend.

3 Indien kinderen bij een activiteit als bedoeld in artikel 3, derde lid, onder b, de stamgroep verlaten, leidt dit niet tot een verlaging van het totaal aantal minimaal op of, indien de activiteit buiten het kindercentrum plaatsvindt, vanuit het kindercentrum in te zetten beroepskrachten ten opzichte van de situatie direct voorafgaand aan de activiteit.

4 Indien bij dagopvang per dag ten minste tien aaneengesloten uren opvang wordt geboden, kunnen, in afwijking van het tweede lid, met inachtneming van artikel 3, derde lid, onder a, en vierde lid, voor ten hoogste drie uren per dag minder beroepskrachten worden ingezet, met dien verstande dat gedurende de uren dat minder beroepskrachten worden ingezet ten minste de helft van het aantal beroepskrachten, vereist op grond van het tweede lid, wordt ingezet. De in de eerste zin bedoelde afwijkende inzet kan op de dagen van de week verschillen, zij het dat de afwijkende inzet niet per week verschilt.

You might be interested:  Partneralimentatie Berekenen 2022

5 Indien op grond van het tweede lid slechts één beroepskracht in het kindercentrum aanwezig is, is tevens een volwassene beschikbaar die telefonisch bereikbaar is en die binnen vijftien minuten in het kindercentrum aanwezig kan zijn in geval van een calamiteit. De houder informeert de bij het kindercentrum werkzame personen over de naam en het telefoonnummer van deze persoon.

6 Indien op grond van het vierde lid slechts één beroepskracht op het kindercentrum wordt ingezet, is ter ondersteuning van deze beroepskracht ten minste één andere volwassene in het kindercentrum aanwezig.

7 Indien een stamgroep wordt gecombineerd met een basisgroep wordt de verhouding tussen het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten en het aantal aanwezige kinderen in de gecombineerde groep bepaald op grond van bijlage 1, onderdeel c, bij dit besluit. Onze Minister stelt een online rekentool ter beschikking met behulp waarvan de in de eerste zin bedoelde verhouding kan worden berekend.

8 Bij de inzet van beroepskrachten in opleiding en stagiairs wordt rekening gehouden met de opleidingsfase waarin zij zich op dat moment bevinden.

9 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de inzet van beroepskrachten in opleiding en stagiairs waarbij kan worden bepaald dat en onder welke voorwaarden beroepskrachten in opleiding en stagiairs kunnen worden meegeteld bij de berekening van het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten op grond van dit artikel.

10 De pedagogisch beleidsmedewerker kan worden meegeteld bij de berekening van het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten op grond van dit artikel voor zover deze in het kader van het coachen van beroepskrachten bij de uitvoering van hun werkzaamheden tevens op de stamgroep bezig is met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen.

1 Het minimaal aantal uren waarvoor de houder jaarlijks pedagogisch beleidsmedewerkers in de dagopvang inzet, wordt afgestemd op het aantal in te zetten beroepskrachten en het aantal kindercentra dat de houder exploiteert waarbij, naarmate er meer beroepskrachten worden ingezet, er voor meer uren pedagogisch beleidsmedewerkers worden ingezet ten behoeve van het coachen van beroepskrachten bij de uitvoering van hun werkzaamheden en naarmate de houder meer kindercentra exploiteert, er voor meer uren pedagogisch beleidsmedewerkers worden ingezet ten behoeve van de totstandkoming en implementatie van pedagogische beleidsvoornemens.

2 Het minimaal aantal uren waarvoor de houder jaarlijks pedagogisch beleidsmedewerkers in de dagopvang inzet voor de totstandkoming en implementatie van pedagogische beleidsvoornemens en het minimaal aantal uren waarvoor de houder jaarlijks pedagogisch beleidsmedewerkers inzet voor het coachen van beroepskrachten bij de uitvoering van hun werkzaamheden wordt bepaald op grond van de rekenregels in bijlage 2 bij dit besluit. Onze Minister stelt een online rekentool ter beschikking met behulp waarvan de in de eerste zin bedoelde inzet kan worden berekend.

3 De houder bepaalt jaarlijks, indien hij meer dan één kindercentrum exploiteert, de wijze waarop hij het op grond van het tweede lid verplichte minimaal aantal uren waarvoor pedagogisch beleidsmedewerkers worden ingezet, verdeelt over de verschillende kindercentra en legt dit schriftelijk vast zodat dit inzichtelijk is voor de beroepskrachten en ouders. De houder geeft de verdeling zodanig vorm dat iedere beroepskracht jaarlijks coaching ontvangt in de uitvoering van de werkzaamheden.

1 Bij dagopvang vindt de opvang plaats in stamgroepen. Een kind wordt opgevangen in één stamgroep. De maximale grootte van de stamgroep wordt afgestemd op de leeftijd van de kinderen in de stamgroep, waarbij naarmate de kinderen in de stamgroep ouder zijn, de stamgroep uit meer kinderen mag bestaan.

2 De maximale grootte van de stamgroep wordt bepaald op grond van tabel 1 in bijlage 1, onderdeel a, bij dit besluit.

3 De houder deelt de ouders en het kind mee tot welke stamgroep het kind behoort en welke beroepskracht dan wel beroepskrachten op welke dag aan de desbetreffende stamgroep zijn toegewezen.

4 Aan een kind in de leeftijd tot één jaar worden ten hoogste twee vaste beroepskrachten toegewezen, waarvan per dag ten minste één beroepskracht werkzaam is in de stamgroep van dat kind. Indien er vanwege de grootte van de stamgroep met drie of meer beroepskrachten tegelijkertijd gewerkt wordt dan worden er ten hoogste drie vaste beroepskrachten toegewezen aan een kind in de leeftijd tot één jaar.

5 Aan een kind van één jaar of ouder worden ten hoogste drie vaste beroepskrachten toegewezen, waarvan per dag ten minste één beroepskracht werkzaam is in de stamgroep van dat kind. Indien er vanwege de grootte van de stamgroep met drie of meer beroepskrachten tegelijkertijd gewerkt wordt dan worden er ten hoogste vier vaste beroepskrachten toegewezen aan een kind van één jaar of ouder.

6 Een kind maakt gedurende de week gebruik van ten hoogste twee verschillende stamgroepruimtes.

7 Indien kinderen bij activiteiten als bedoeld in artikel 3, derde lid, onder b, de stamgroep verlaten, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing. Indien kinderen bij activiteiten als bedoeld in artikel 3, derde lid, onder b, de stamgroepruimte verlaten, is het zesde lid niet van toepassing.

8 De tweede zin van het eerste lid, en het vierde tot en met zesde lid zijn niet van toepassing op een kind dat blijkens de overeenkomst tussen de houder en de ouders van het kind gebruik maakt van dagopvang op dagen die per week verschillen.

9 Met vooraf gegeven schriftelijke toestemming van de ouders kan een kind gedurende een tussen houder en ouders overeengekomen periode worden opgevangen in één andere stamgroep dan de stamgroep, bedoeld in het eerste lid, tweede zin, waarbij kan worden afgeweken van het vierde tot en met zesde lid.

10 Indien een stamgroep wordt gecombineerd met een basisgroep wordt de maximale grootte van de gecombineerde groep bepaald op grond van bijlage 1, onderdeel c, bij dit besluit.

11 Aan ieder kind wordt een mentor toegewezen. De mentor is een beroepskracht van het kind en bespreekt de ontwikkeling van het kind periodiek met de ouders. Tevens is de mentor voor de ouders aanspreekpunt bij vragen over de ontwikkeling en het welbevinden van het kind.

1 De binnen- en buitenruimtes waar kinderen verblijven gedurende de tijd dat zij worden opgevangen, zijn veilig, toegankelijk en passend ingericht in overeenstemming met het aantal en de leeftijd van de op te vangen kinderen.

2 Elke stamgroep beschikt over een afzonderlijke vaste stamgroepruimte. Een kindercentrum beschikt over ten minste 3,5 m 2 binnenspeelruimte per in het kindercentrum aanwezig kind. Passend voor spelactiviteiten ingerichte binnenruimtes buiten de stamgroepruimte worden naar evenredigheid aan de groepen van het kindercentrum toebedeeld.

3 Een kindercentrum beschikt over ten minste 3 m 2 vaste buitenspeelruimte per in het kindercentrum aanwezig kind. De buitenspeelruimte is voor kinderen in de leeftijd tot twee jaar aangrenzend aan het kindercentrum. Voor kinderen van twee jaar of ouder is de buitenspeelruimte bij voorkeur aangrenzend aan het kindercentrum, maar in ieder geval aangrenzend aan het gebouw waarin het kindercentrum is gevestigd.

4 Een kindercentrum beschikt voor kinderen tot de leeftijd van anderhalf jaar over een op het aantal aanwezige kinderen afgestemde afzonderlijke slaapruimte.

In het kader van het bieden van verantwoorde buitenschoolse opvang, draagt de houder er in ieder geval zorg voor dat, rekening houdend met de ontwikkelingsfase waarin kinderen zich bevinden:

a. op een sensitieve en responsieve manier met kinderen wordt omgegaan, respect voor de autonomie van kinderen wordt getoond en grenzen worden gesteld aan en structuur wordt geboden voor het gedrag van kinderen, zodat kinderen zich emotioneel veilig en geborgen kunnen voelen; b. kinderen spelenderwijs worden uitgedaagd in de ontwikkeling van hun motorische vaardigheden, cognitieve vaardigheden, taalvaardigheden en creatieve vaardigheden, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger te functioneren in een veranderende omgeving; c. kinderen worden begeleid in hun interacties, waarbij hen spelenderwijs sociale kennis en vaardigheden worden bijgebracht, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger relaties met anderen op te bouwen en te onderhouden, en d. kinderen worden gestimuleerd om op een open manier kennis te maken met de algemeen aanvaarde waarden en normen in de samenleving met het oog op een respectvolle omgang met anderen en een actieve participatie in de maatschappij.

1 Elk kindercentrum beschikt over een pedagogisch beleidsplan. De houder draagt er zorg voor dat er in de buitenschoolse opvang conform het pedagogisch beleidsplan wordt gehandeld.

2 Een pedagogisch beleidsplan bevat ten minste een concrete beschrijving van:

a. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de aspecten van verantwoorde buitenschoolse opvang, bedoeld in artikel 11 ; b. de wijze waarop de mentor, bedoeld in artikel 18, vijfde lid, de verkregen informatie over de ontwikkeling van het kind met de ouders bespreekt en de wijze waarop aan de ouders en het kind bekend wordt gemaakt welke beroepskracht de mentor is van het kind; c. de wijze waarop bijzonderheden in de ontwikkeling van het kind of problemen worden gesignaleerd en ouders worden doorverwezen naar passende instanties voor verdere ondersteuning; d. de werkwijze, maximale omvang en leeftijdsopbouw van de basisgroepen, en e. de wijze waarop kinderen kunnen wennen aan een nieuwe basisgroep waarin zij zullen worden opgevangen.

3 Indien van toepassing bevat het pedagogisch beleidsplan, in aanvulling op het tweede lid, tevens een concrete beschrijving van:

a. de tijden waarop, met inachtneming van artikel 16, vierde lid, tweede zin, kan worden afgeweken van artikel 16, tweede lid, alsmede de tijden waarop in ieder geval niet daarvan wordt afgeweken en derhalve wordt voldaan aan artikel 16, tweede lid; b. de aard en de organisatie van de activiteiten waarbij kinderen de basisgroep kunnen verlaten; c. het beleid ten aanzien van het gebruik kunnen maken van buitenschoolse opvang gedurende extra dagdelen; d. de omgang met de basisgroep bij activiteiten in groepen groter dan dertig kinderen; e. de taken die beroepskrachten in opleiding, stagiairs en vrijwilligers in de buitenschoolse opvang kunnen uitvoeren en de wijze waarop zij hierbij worden begeleid, en f. de wijze waarop meertalige buitenschoolse opvang in het kindercentrum wordt vormgegeven.

4 De houder informeert de ouders nadrukkelijk over de tijden, bedoeld in het derde lid, onder a.

1 De houder heeft voor elk kindercentrum een beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en gezondheid van de op te vangen kinderen zoveel mogelijk is gewaarborgd. De houder draagt er zorg voor dat er in de buitenschoolse opvang conform het veiligheids- en gezondheidsbeleid wordt gehandeld.

2 De houder of voorgenomen houder stelt het veiligheids- en gezondheidsbeleid schriftelijk vast en verstrekt dit, conform artikel 5, derde lid, onder d, van het Besluit landelijk register kinderopvang, register buitenlandse kinderopvang en personenregister kinderopvang, bij het indienen van de aanvraag, bedoeld in artikel 1.45, eerste lid, van de wet, aan het college. De houder evalueert, en indien nodig actualiseert, het veiligheids- en gezondheidsbeleid binnen drie maanden na opening van het kindercentrum. Daarna houdt de houder het veiligheids- en gezondheidsbeleid actueel.

3 Het veiligheids- en gezondheidsbeleid omvat in ieder geval:

a. een concrete beschrijving van de wijze waarop de houder er zorg voor draagt dat het veiligheids- en gezondheidsbeleid samen met de beroepskrachten een continue proces is van het vormen van beleid, implementeren, evalueren en actualiseren; b. een concrete beschrijving van de risico’s die de opvang van kinderen van het desbetreffende kindercentrum met zich brengt, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op:

1°. de voornaamste risico’s met grote gevolgen voor de veiligheid van kinderen; 2°. de voornaamste risico’s met grote gevolgen voor de gezondheid van kinderen, en 3°. het risico op grensoverschrijdend gedrag door beroepskrachten, beroepskrachten in opleiding, stagiairs, vrijwilligers, overige aanwezige volwassenen en kinderen;

c. een plan van aanpak waarin in concrete termen is aangegeven welke maatregelen binnen welke termijn zijn respectievelijk worden genomen teneinde de onder b genoemde risico’s in te perken en de handelswijze indien deze risico’s zich verwezenlijken; d. een beschrijving in algemene zin van de wijze waarop kinderen wordt geleerd om te gaan met risico’s waarvan de gevolgen voor de veiligheid en gezondheid van kinderen beperkt zijn en welke derhalve geen risico’s vormen als bedoeld onder b; e. een concrete beschrijving van de wijze waarop de houder er zorg voor draagt dat het actuele veiligheids- en gezondheidsbeleid en de evaluaties daarvan inzichtelijk zijn voor de beroepskrachten, beroepskrachten in opleiding, stagiairs, vrijwilligers en ouders, en f. indien van toepassing, een concrete beschrijving van de wijze waarop de achterwacht is geregeld indien er op grond van artikel 16, vijfde en zesde lid, slechts een beroepskracht in het kindercentrum aanwezig is.

4 De houder draagt er zorg voor dat er gedurende de buitenschoolse opvang te allen tijde ten minste één volwassene aanwezig is die gekwalificeerd is voor het verlenen van eerste hulp aan kinderen. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld aan deze kwalificatie.

1 De door de houder voor het personeel vast te stellen meldcode bevat ten minste de volgende elementen:

a. een stappenplan, inhoudende een omschrijving van de stappen voor het omgaan door het personeel met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling; b. een afwegingskader op basis waarvan het personeel het risico op en de aard en de ernst van het huiselijk geweld of de kindermishandeling weegt en dat het personeel in staat stelt te beoordelen of sprake is van dusdanig ernstig huiselijk geweld of ernstige kindermishandeling, dan wel van een vermoeden daarvan, dat een melding is aangewezen; c. een toebedeling van verantwoordelijkheden aan de diverse personeelsleden bij de stappen, bedoeld onder a, inclusief vermelding van de functie van degene die eindverantwoordelijk is voor de beslissing over het al dan niet doen van een melding; d. specifieke aandacht, indien van toepassing, voor bijzondere vormen van geweld, die speciale kennis en vaardigheden van personeel vereisen; e. specifieke aandacht voor de wijze waarop het personeel omgaat met gegevens waarvan zij het vertrouwelijk karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden.

2 Het in het eerste lid, onder a, bedoelde stappenplan, bevat ten minste de volgende stappen:

a. het in kaart brengen van de signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling; b. collegiale consultatie en zo nodig raadplegen van Veilig Thuis of een deskundige op het gebied van letselduiding; c. een gesprek met de ouders en, indien mogelijk, het kind; d. het toepassen van het afwegingskader, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b; e. het beslissen over:

1°. het doen van een melding, en 2°. het inzetten van de noodzakelijke hulp.

1 Beroepskrachten en beroepskrachten meertalige buitenschoolse opvang beschikken over een voor de werkzaamheden passende opleiding.

2 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de opleidingseisen waaraan beroepskrachten en beroepskrachten meertalige buitenschoolse opvang voldoen.

3 Pedagogisch beleidsmedewerkers beschikken over een voor de werkzaamheden passende opleiding.

4 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de opleidingseisen waaraan pedagogisch beleidsmedewerkers voldoen.

1 Het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten op een basisgroep wordt afgestemd op het aantal aanwezige kinderen in de basisgroep, waarbij naarmate de kinderen ouder zijn, minder beroepskrachten hoeven te worden ingezet.

2 De verhouding tussen het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten en het aantal aanwezige kinderen in een basisgroep wordt bepaald op grond van tabel 2 in bijlage 1, onderdeel b, bij dit besluit. Onze Minister stelt een online rekentool ter beschikking met behulp waarvan de in de eerste zin bedoelde verhouding kan worden berekend.

3 Indien kinderen bij een activiteit als bedoeld in artikel 12, derde lid, onder b, de basisgroep verlaten, leidt dit niet tot een verlaging van het totaal aantal minimaal op of, indien de activiteit buiten het kindercentrum plaatsvindt, vanuit het kindercentrum in te zetten beroepskrachten ten opzichte van de situatie direct voorafgaand aan de activiteit.

4 In afwijking van het tweede lid kunnen voor en na de dagelijkse schooltijd alsmede gedurende vrije middagen van de basisschool voor ten hoogste een half uur per dag minder beroepskrachten worden ingezet, met dien verstande dat ten minste de helft van het aantal beroepskrachten wordt ingezet. Op vrije dagen van de basisschool of tijdens de schoolvakanties kan, met inachtneming van artikel 12, derde lid, onder a, en vierde lid, indien per dag ten minste tien aaneengesloten uren buitenschoolse opvang wordt geboden, de in de eerste zin bedoelde afwijkende inzet van beroepskrachten ten hoogste drie uur bedragen, met dien verstande dat gedurende de uren dat minder beroepskrachten worden ingezet ten minste de helft van het aantal beroepskrachten, vereist op grond van het tweede lid, wordt ingezet. De in de vorige zin bedoelde afwijkende inzet kan op de dagen van de week verschillen, zij het dat de afwijkende inzet niet per week verschilt.

You might be interested:  Google Maps Tol Berekenen

5 Indien op grond van het tweede lid slechts één beroepskracht in het kindercentrum aanwezig is, is tevens een volwassene beschikbaar die telefonisch bereikbaar is en die binnen vijftien minuten in het kindercentrum aanwezig kan zijn in geval van een calamiteit. De houder informeert de bij het kindercentrum werkzame personen over de naam en het telefoonnummer van deze persoon.

6 Indien op grond van het vierde lid slechts één beroepskracht op het kindercentrum wordt ingezet, is ter ondersteuning van deze beroepskracht ten minste één andere volwassene in het kindercentrum aanwezig.

7 Bij de inzet van beroepskrachten in opleiding en stagiairs wordt rekening gehouden met de opleidingsfase waarin zij zich op dat moment bevinden.

8 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de inzet van beroepskrachten in opleiding en stagiaires waarbij kan worden bepaald dat en onder welke voorwaarden beroepskrachten in opleiding en stagiairs kunnen worden meegeteld bij de berekening van het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten op grond van dit artikel.

9 De pedagogisch beleidsmedewerker kan worden meegeteld bij de berekening van het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten op grond van dit artikel voor zover deze in het kader van het coachen van beroepskrachten bij de uitvoering van hun werkzaamheden tevens op de basisgroep bezig is met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen.

1 Het minimaal aantal uren waarvoor de houder jaarlijks pedagogisch beleidsmedewerkers in de buitenschoolse opvang inzet, wordt afgestemd op het aantal in te zetten beroepskrachten en het aantal kindercentra dat de houder exploiteert waarbij, naarmate er meer beroepskrachten worden ingezet, er voor meer uren pedagogisch beleidsmedewerkers worden ingezet ten behoeve van het coachen van beroepskrachten bij de uitvoering van hun werkzaamheden en naarmate de houder meer kindercentra exploiteert, er voor meer uren pedagogisch beleidsmedewerkers worden ingezet ten behoeve van de totstandkoming en implementatie van pedagogische beleidsvoornemens.

2 Het minimaal aantal uren waarvoor de houder jaarlijks pedagogisch beleidsmedewerkers in de buitenschoolse opvang inzet voor de totstandkoming en implementatie van pedagogische beleidsvoornemens en het minimaal aantal uren waarvoor de houder jaarlijks pedagogisch beleidsmedewerkers inzet voor het coachen van beroepskrachten bij de uitvoering van hun werkzaamheden wordt bepaald op grond van de rekenregels in bijlage 2 bij dit besluit. Onze Minister stelt een online rekentool ter beschikking met behulp waarvan de in de eerste zin bedoelde inzet kan worden berekend.

3 De houder bepaalt jaarlijks, indien hij meer dan één kindercentrum exploiteert, de wijze waarop hij het op grond van het tweede lid verplichte minimaal aantal uren waarvoor pedagogisch beleidsmedewerkers worden ingezet, verdeelt over de verschillende kindercentra en legt dit schriftelijk vast zodat dit inzichtelijk is voor de beroepskrachten en ouders. De houder geeft de verdeling zodanig vorm dat iedere beroepskracht jaarlijks coaching ontvangt in de uitvoering van de werkzaamheden.

1 Bij buitenschoolse opvang vindt de opvang plaats in basisgroepen. Een kind wordt opgevangen in één basisgroep. De maximale grootte van de basisgroep wordt afgestemd op de leeftijd van de kinderen in de basisgroep, waarbij naarmate de kinderen in de basisgroep ouder zijn, de basisgroep uit meer kinderen mag bestaan.

2 De maximale grootte van de basisgroep wordt bepaald op grond van tabel 2 in bijlage 1, onderdeel b, bij dit besluit.

3 Indien kinderen bij activiteiten als bedoeld in artikel 12, derde lid, onder b, de basisgroep verlaten, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing.

4 Met vooraf gegeven schriftelijke toestemming van de ouders kan een kind gedurende een tussen houder en ouders overeengekomen periode worden opgevangen in één andere basisgroep dan de basisgroep, bedoeld in de tweede zin van het eerste lid.

5 Aan ieder kind wordt een mentor toegewezen. De mentor is een beroepskracht van het kind en bespreekt, indien wenselijk, de ontwikkeling van het kind met de ouders. Daarnaast is de mentor voor de ouders en het kind aanspreekpunt bij vragen over de ontwikkeling en het welbevinden van het kind.

1 De binnen- en buitenruimtes waar kinderen verblijven gedurende de tijd dat zij worden opgevangen, zijn veilig, toegankelijk en passend ingericht in overeenstemming met het aantal en de leeftijd van de op te vangen kinderen.

2 Een kindercentrum beschikt over ten minste 3,5 m 2 binnenspeelruimte per in het kindercentrum aanwezig kind.

3 Een kindercentrum beschikt over ten minste 3 m 2 vaste buitenspeelruimte per in het kindercentrum aanwezig kind. De buitenspeelruimte is bij voorkeur aangrenzend aan het kindercentrum. In het geval een buitenspeelruimte niet aangrenzend is, is deze gelegen in de directe nabijheid van het kindercentrum en voor kinderen toegankelijk en veilig bereikbaar.

1 De houder van een ouderparticipatiecrèche beschrijft in het pedagogisch beleidsplan, bedoeld in de artikelen 3 en 12, in concrete termen op welke wijze hij zorg draagt voor de geschiktheid van de participerende ouder voor het verzorgen van ouderparticipatieopvang waarbij in ieder geval wordt ingegaan op:

a. het scholingsprogramma, afgerond door iedere participerende ouder alvorens kinderopvang te kunnen bieden, waarbij het programma zowel theorie- als praktijkelementen gericht op verantwoorde kinderopvang bevat; b. de inhoud en frequentie van de bijscholing die door iedere participerende ouder gevolgd wordt en die gericht is op het behoud van kennis en vaardigheden van het bieden van verantwoorde kinderopvang; c. de wijze waarop de houder zorg draagt voor het onderling aanspreken van de participerende ouders in de ouderparticipatiecrèche en het organiseren van intervisies; en d. de wijze waarop de houder zorg draagt voor teamontwikkeling van de participerende ouders.

2 De houder van een ouderparticipatiecrèche beschrijft in het pedagogisch beleidsplan, bedoeld in de artikel 3, in concrete termen op welke wijze hij zorg draagt voor de herkenbaarheid van personen waarbij in ieder geval dient te worden ingegaan op:

a. de wijze waarop de houder er zorg voor draagt dat de stabiliteit voor opvang van kinderen, in het bijzonder van baby’s, indien die in de ouderparticipatiecrèche worden opgevangen, is gewaarborgd; en b. de wijze waarop kinderen kunnen wennen aan een nieuwe groep waarin zij zullen worden opgevangen rekening houdend met de omstandigheid dat er meerdere participerende ouders op een dag een dienst draaien.

3 De houder van een ouderparticipatiecrèche beschrijft in het pedagogisch beleidsplan, bedoeld in de artikelen 3 en 12, in concrete termen:

a. de wijze waarop de houder zorg draagt dat gegarandeerd wordt dat de participerende ouder in beginsel een dagdeel per week een dienst draait, hierbij rekening houdend met verlof en ziekte van de participerende ouder; b. de wijze waarop door de houder invulling wordt gegeven aan het onderling vervangen, de groepsindeling, en afstemming van de participerende ouders; en c. de verantwoordelijkheden van diverse ouders en de wijze waarop vorm wordt gegeven aan de verschillende taken; en d. de omstandigheid dat de mentor een participerende ouder is die niet de ouder is van het kind dat wordt opgevangen in een ouderparticipatiecrèche.

1 Dit besluit treedt, met uitzondering van de artikelen 6, derde en vierde lid, 7, tiende lid, 8, 15, derde en vierde lid, 16, negende lid, 17, hoofdstuk 2a met de artikelen 19a tot en met 19i, 20, 22, 25 en 27, en 29, onderdelen B tot en met F, in werking met ingang van 1 januari 2018.

2 Artikel 29, onderdelen B, C, E, en F, treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst.

3 De artikelen 6, derde en vierde lid, 7, tiende lid, 8, 15, derde en vierde lid, 16, negende lid, 17, 20, 22, 25 en 27 treden in werking met ingang van 1 januari 2019.

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit kwaliteit kinderopvang. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst. Wassenaar, 23 augustus 2017 Willem-Alexander De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher Uitgegeven de eerste september 2017 De Minister van Veiligheid en Justitie, S.A. Blok

Hoeveel leidsters op groep?

Mochten er dus vier kinderen van tot 1 jaar zijn, dan moeten er twee leiders op een groep worden ingezet. Bij kinderen van 1 tot 2 jaar mag één pedagogisch medewerker vijf kinderen opvangen, en bij peuters tussen de 2 en 4 jaar oud mag één pedagogisch medewerker maximaal acht kinderen opvangen.

Waarom is er een 4 ogen principe?

Het doel van het vierogenprincipe is het voorkomen van situaties waarin de gelegenheid bestaat tot het plegen van (seksueel) misbruik bij kinderen in de dagopvang. Als iemand vermoedens heeft dat een medewerker zich daar schuldig aan maakt, moet diegene dat melden bij de houder.

Wat is het vier ogen principe?

Vierogenprincipe: altijd 2 ogen óf 2 oren – Kinderdagverblijven moeten bij de dagopvang werken volgens het vierogenprincipe. Dat betekent dat er altijd 1 volwassene moet meekijken of meeluisteren met een pedagogisch medewerker. De precieze invulling van deze eis kan op ieder kinderdagverblijf anders zijn.

Hoeveel begeleiders per groep?

Het vaste-gezichtencriterium – Een vaste, vertrouwde pedagogisch medewerker biedt emotionele veiligheid aan een kind. Dus als het kind aanwezig is, werkt er die dag minimaal 1 vast gezicht van het kind op de groep. De medewerker weet hoe het kind zich ontwikkelt, waar het behoefte aan heeft en waar het gestrest van raakt. De vaste gezichten mogen niet te vaak wisselen. Daarom geldt:

Zijn er 1 of 2 pedagogisch medewerkers vereist bij een groep volgens de BKR? Dan zijn er maximaal 2 vaste gezichten per baby. Voor kinderen van 1 jaar en ouder maximaal 3. Bij 3 of meer pedagogisch medewerkers zijn er maximaal 3 vaste gezichten per baby. Voor kinderen van 1 jaar of ouder maximaal 4.

Hoeveel uur is 2 dagen kinderopvang?

Aantal uren opvang – Hoeveel uren zitten er in een hele of halve dag kinderopvang? Dat hangt af van de openingstijden van het kindercentrum, of de werkuren van de gastouder. Is het kinderdagverblijf open van 7.30 uur tot 18.30 uur? Dan zitten er 11 uur in een dag, en 5,5 uur in een halve dag. Een hele week opvang is dan 55 uur.

Wat kost kinderopvang voor 2 dagen per week?

De kosten van kinderopvang in Nederland – Per situatie verschillen de kosten van kinderopvang. Gemiddeld liggen de kosten voor kinderopvang in Nederland tussen de €6 en de €9 per uur. De meeste ouders komen echter in aanmerking voor kinderopvangtoeslag, waardoor de kosten flink gedrukt worden.

Hoe lang mag je werken zonder pauze kinderopvang?

Wat zijn de wettelijke regels voor pauzes tijdens mijn werk? Er zijn regels voor uw pauzes en rusttijden. Zo heeft u recht op pauze als u langer dan 5,5 uur werkt. In uw cao kunnen afwijkende regels staan, bijvoorbeeld over doorbetaling tijdens uw pauze. Voor uw pauzes gelden de volgende regels:

Als u langer dan 5,5 uur werkt, heeft u volgens de wet recht op minimaal 30 minuten pauze. U mag de pauze splitsen in 2 keer een kwartier. Als u langer dan 10 uur werkt, heeft u volgens de wet recht op 45 minuten pauze. De pauze mag u splitsen in meer pauzes van minimaal een kwartier. Heeft u een cao (of bedrijfsregeling) waarin iets is geregeld over pauzes? Dan mag er in die cao van de wet worden afgeweken. Maar geldt nog steeds: minimaal 1 pauze van 15 minuten na 5,5 uur werken. U mag een werkdag niet beginnen of eindigen met een pauze. Een pauze is bedoeld als onderbreking van de werktijd.

Hoeveel babys per begeleider?

Definities – De cijfers over formele opvangplaatsen voor baby’s en peuters zijn gebaseerd op administratieve gegevens van het Vlaams Agentschap Opgroeien. Het gaat om opvang die beroepsmatig en tegen betaling gebeurt. Wie dergelijke opvang organiseert, heeft een vergunning nodig.

  1. De opvang kan ook schoolkinderen opvangen.
  2. Plaatsen bij vergunde opvanglocaties die exclusief schoolkinderen opvangen worden niet meegeteld.
  3. Groepsopvang: opvang door een kinderdagverblijf of samenwerkende onthaalouders.
  4. Grotere opvang, met meerdere kinderbegeleiders, in een ruimte die enkel bestemd is voor kinderopvang.

Er is een minimum van 9 tegelijk aanwezige kinderen. Er is geen maximum van het totaal aantal kinderen in de groepsopvang. Wel is er een maximum van 9 kinderen per begeleider. Zolang er voldoende kinderbegeleiders zijn en er ruimte is, kunnen kinderen opvangen worden in een bepaalde groepsopvanglocatie.

  • Wel is het zo dat elke leefgroep niet groter mag zijn dan 18 kinderen.
  • Gezinsopvang: opvang door een onthaalouder.
  • Het gaat om kleinschalige opvang met meestal 1 kinderbegeleider, meestal in eigen woning van de kinderbegeleider met nooit meer dan 8 kinderen.
  • Het aantal baby’s en peuters in een gemeente was tot augustus 2021 gebaseerd op gegevens in een eigen databestand van het Agentschap Opgroeien (regie).

Sinds september 2021 is men daarvoor overgeschakeld op cijfers over het aantal kinderen gekend in het kader van het Groeipakket. Dat Groeipakket bestaat uit gezinsbijslagen en andere financiële tegemoetkomingen om gezinnen te ondersteunen in de opvoeding van hun kinderen.

Hoelang mag je alleen staan op de BSO?

Zo werkt de drie-uursregeling kinderopvang – Kinderopvangtotaal De vernieuwde drie-uursregeling, waarbij een kinderopvangorganisatie exact moet aangeven welke uren er minder pedagogisch medewerkers worden ingezet, leidt tot verwarring. Brancheorganisatie Kinderopvang legt daarom in een filmpje uit wat de regel inhoudt en hoe het met ouders gecommuniceerd moet worden.

  • Foto: ANP In de kinderopvang bestaat al langer de mogelijkheid om af te wijken van de beroepskracht-kindratio.
  • Dit mag vooralsnog in vaste tijdvakken: ‘s ochtends vroeg, laat in de middag en onder lunchtijd.
  • De Wet IKK schrijft voor dat kinderopvangorganisaties letterlijk aan ouders mededelen wanneer er minder personeel op de groep staat.

Dit mag maximaal drie uur op een dag en alleen bij organisaties die minimaal aaneengesloten 10 uur op een dag open zijn. Deze regels gaan in vanaf 1 januari 2018. Houders moeten in het pedagogische beleidsplan opnemen op welke tijden er mogelijk afgeweken wordt en op welke tijden zeker niet en ouders moeten hiervan op de hoogte worden gebracht.

Wat is Formatief inzetten?

Hoe kan het onderwijs met succes formatief toetsen inzetten? Formatief toetsen heeft als doel het leerproces te verbeteren. Daartoe wordt regelmatig vastgesteld hoe leerlingen zich ontwikkelen. Op grond van de bevindingen bepaalt de leraar hoe het leerproces het beste vorm kan krijgen.

Cruciaal bij formatief toetsen is het geven van feedback. Dit versterkt de motivatie van leerlingen en geeft richting bij hun verdere ontwikkeling. Formatief toetsen wordt niet alleen door de leraar uitgevoerd, ook self-assessment en peer-assessment zijn goed mogelijk. Voorwaarden voor effectieve formatieve toetsing zijn: betekenisvolle toetsen, regelmatige toetsing, professionele docenten, betrokken leerlingen en een toetscultuur die is gericht op onderwijsverbetering.

In het onderwijs maken we onderscheid tussen summatief toetsen en formatief toetsen. Summatief toetsen wordt gedaan om de leerprestaties van leerlingen te beoordelen en op basis daarvan te beslissen over het vervolg van de schoolloopbaan (selectie, classificatie, plaatsing, certificering).

Een voorbeeld is het examen in het voortgezet onderwijs. Formatief toetsen heeft als doel te bepalen hoe het leerproces van de leerling het beste vorm kan krijgen. Kenmerkend is dat het frequent plaatsvindt en op verschillende manieren kan worden uitgevoerd. Niet alleen door middel van genormeerde toetsen, maar ook aan de hand van observaties en interacties tussen leerlingen en leraar.

Kortom: summatief toetsen gebeurt na het leren, om de opbrengst van het onderwijs vast te stellen, formatief toetsen tijdens het leren, om het leerproces te verbeteren. Formatief toetsen kan gebeuren op een zeer informele manier, geïntegreerd in de dagelijkse lespraktijk, of op een meer formele manier, met genormeerde toetsen, op vastgestelde momenten.

Opbrengstgericht werken : het systematisch verzamelen en analyseren van gegevens over de vorderingen van leerlingen, om op basis daarvan het onderwijs te kunnen verbeteren. Assessment for Learning : dagelijkse praktijk, waarbij leraren aan de hand van verschillende informatiebronnen, zoals gesprekken en observaties, bepalen wat het niveau is van leerlingen en hoe die leerlingen zich verder kunnen ontwikkelen. Diagnostisch toetsen : leerbehoeften van leerlingen identificeren, om gericht de ontwikkeling te kunnen stimuleren.

You might be interested:  Verbruik Elektrische Auto Berekenen

Hoeveel vierkante meter per kind?

Per kind is minimaal 3,5 m2 bruto-oppervlakte passend ingerichte binnenspeelruimte beschikbaar. Passend voor spelactiviteiten ingerichte binnenruimtes buiten de groepsruimte worden naar evenredigheid aan de groepen van het kindercentrum toebedeeld.

Hoeveel m2 per kind in kinderopvang?

De Wet kinderopvang schrijft voor dat er voor ieder kind minimaal 3,5 vierkante meter binnenspeelruimte beschikbaar is.

Wat zijn de eisen voor een kinderopvang?

Inrichtingseisen kinderdagverblijf Deze informatie is geplaatst door: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) ± 1 min lezen Bent u houder van een kinderdagverblijf of een locatie voor buitenschoolse opvang? Dan moet u zorgen voor voor spelen en rusten. Deze ruimtes moeten afgestemd zijn op de leeftijd van de kinderen en het aantal kinderen.

De slaapruimte moet in een beschermd subbrandcompartiment liggen. Dat is een aparte ruimte binnen het gebouw die enige tijd beschermt tegen brand.Het gebouw moet een brandmeldinstallatie, rookmelders, zelfsluitende branddeuren en blustoestellen hebben.Gordijnen, vloerbedekking, versiering, speeltoestellen en meubelen moeten brandveilig zijn.Een kinderopvang moet goede ventilatie hebben. Vooral in slaapkamers met stapelbedden zijn er zware eisen aan ventilatie.Voor nieuwe kinderopvanggebouwen gelden eisen voor geluidsisolatie tegen lawaai van bijvoorbeeld verkeer, fabrieken of vliegtuigen. Installaties voor bijvoorbeeld luchtverversing moeten fluisterstil zijn (maximaal 35 dB).Nieuwe en bestaande kinderopvang moeten in elke ruimte (behalve de slaapruimte) ramen hebben.Vloeren en hekken hebben eisen voor hoogteverschil en openingen zodat kinderen niet kunnen vallen of vast komen te zitten.Een verblijfsgebied van een kinderopvang moet bij nieuwbouw minstens 5m2 groot zijnEen nieuwe kinderopvang moet minstens 2 toiletten hebben.

Gaat u een nieuw kinderopvanggebouw bouwen? Dan krijgt u van uw gemeente alleen een voor het bouwen als u aan alle eisen van het Bouwbesluit 2012 voldoet. Heeft u een bestaande kinderopvang? De gemeente kan uw gebouw controleren op de eisen van het Bouwbesluit 2012. Ondernemersplein Alles van de overheid op één plek Over deze site Ondernemersplein is een initiatief van: : Inrichtingseisen kinderdagverblijf

Wat verdient een PM er?

Wat verdient een Pedagogisch Medewerker ? – Het brutosalaris van een Pedagogisch Medewerker ligt ongeveer tussen de €2.188,- en €2.979,-. En is afhankelijk van leeftijd en ervaring. Als Pedagogisch Medewerker in de kinderopvang word je ingedeeld in een schaal volgens de functiematrix.

Het salaris Pedagogisch Medewerker kinderopvang valt volgens de CAO Kinderopvang binnen schaal 6 (trede 9 t/m 21). Bij goed functioneren ontvang je jaarlijks een verhoging en ga je een trede omhoog totdat het einde van tredes in die schaal zijn bereikt. Er zijn Pedagogisch Medewerker functies met meer verantwoordelijkheden, zoals Pedagogisch Expert en Assistent Leidinggevende, waar je vervolgens hoger voor ingeschaald wordt.

Omdat we in de kinderopvangbranche werken met een CAO, betekent dit dat alle kinderopvangorganisaties zich moeten houden aan de salarisschalen die hierin vastgesteld zijn. Het is dus niet mogelijk om bij een andere organisatie in dezelfde functie een veel hoger salaris te krijgen.

Hoe vaak kind naar de opvang?

Hoe vaak naar het kinderdagverblijf? – “De meeste kinderen komen twee tot drie dagen in de week”, vertelt Mandy. “Ze komen hier wanneer ze drie maanden oud zijn tot hun tweede jaar, Daarna stromen ze door naar de peutergroep. Het is heel leuk om de ontwikkeling van een kind mee te maken en ze groot te zien worden.”

Wat is een verticale leefgroep?

Meer weten – In dit artikel lees je waarom wennen belangrijk is,

  • Door de overgang van de thuissituatie naar de opvang geleidelijk te laten verlopen, zal het kind minder stress ervaren. Het kind kan wennen aan een nieuwe omgeving, geuren, geluiden, stemmen van begeleidsters, een ander ritme,
  • De vertrouwensrelatie tussen kind, zijn ouders en de begeleider kan groeien.
  • Je kan met de ouders praktische info uitwisselen over het dagritme en de gewoontes van het kind en over de werking van de opvang.
  • Je kan zelf bepalen hoe je de kinderen aan de opvang laat wennen. Elke opvang heeft een eigen werking.
  • Het ene kind heeft meer tijd nodig dan het andere kind om te wennen. Ook de ouders kunnen meer tijd nodig hebben om een band op te bouwen met de opvang.
  • Moedig ouders aan om hun kind te laten wennen en zeg waarom. Lees de info voor ouders bij kinderopvang en naar school/praktische tips,
  • Organiseer het wennen kort voor de eigenlijke start van de opvang.
  • Las best meerdere bezoeken in, verspreid over 1 tot 2 weken. Breid de verblijfsduur geleidelijk aan uit.
  • Organiseer de wenmomenten met de kinderbegeleider(s) die het kind zullen opvangen, Zo leren zij de gewoontes van het kind.
  • Als je merkt dat het kind veel huilt, moeilijk slaapt of vermoeid is, kan je de wenperiode aanpassen en de wenperiode verlengen.
  • Zorg, indien mogelijk, voor een voldoende aanwezigheid van het kind in de opvang en een zekere regelmaat in het opvangschema.
  • Respecteer het slaap- en waakritme van het kind.
  • Verhoog het toezicht tijdens de wenmomenten en tijdens de eerste weken in de opvang.

In een grotere opvang werk je met verschillende leefgroepen, Een leefgroep is een groep van kinderen gekoppeld aan een of meer bepaalde kinderbegeleiders en aan een of meer bepaalde ruimtes. Er mogen maximaal 18 kinderen in een leefgroep verblijven. Kinderen moeten zich goed kunnen voelen en samen een groep vormen.

  • In een verticale leefgroep verblijven baby’s, kruipers en peuters samen in één groep, Als een kind in een verticale leefgroep zit, blijft het in principe bij dezelfde begeleiding en dezelfde kinderen.
  • Er ontstaat een hechte band tussen begeleiders, kinderen en ouders.
  • Kleine kinderen kunnen leren van de grote, terwijl grote kinderen het vaak leuk vinden om mee te zorgen voor de kleintjes.
  • Soms wordt de groep gesplitst in kleinere groepjes, zodat de kinderen op hun eigen niveau kunnen spelen.
  • Dit vraagt van de begeleiding de nodige vaardigheden om gepast in te spelen op alle kinderen en hun ontwikkeling.
  • Soms bestaat het gevaar dat de ene leeftijdsgroep een beetje op de achtergrond raakt als er veel aandacht gaat naar een andere leeftijdsgroep.
  • In een semi-verticale leefgroep vormen baby’s en kruipers een aparte groep. Ofwel zitten de kruipers bij de peuters. In een semi-verticale leefgroep zijn er bijgevolg meer leeftijdsgenoten,
  • Begeleiders kunnen gemakkelijker inspelen op de specifieke kenmerken van een bepaalde leeftijd en ontwikkelingsfase.
  • Het aanbod van activiteiten, spelmateriaal en de groepsregels kunnen goed op de leeftijd worden afgestemd.
  • Op een bepaalde leeftijd schuiven de kinderen op naar een andere groep. Daar moeten ze wennen aan andere begeleiders en andere kinderen. Dat kan men oplossen door de begeleider mee te laten opschuiven.

Sommige ouders werken in ploegen, andere hebben een hele rit voor de boeg voordat ze op het werk zijn. Niet iedereen kan een beroep doen op grootouders in de buurt. Opvang op vroege of late uren, tijdens het weekend of op een feestdag kan soms een echte noodzaak zijn.

  • Een aangepaste infrastructuur kan nodig zijn. Bv. rustruimtes, keuken, badkamer,
  • Nog meer dan in de gewone opvang is een huiselijke sfeer belangrijk.
  • Er worden extra taken gevraagd. Bv. de allerkleinsten wassen en aankleden wanneer zij heel vroeg naar de opvang komen.
  • Wanneer kinderen langere tijd in de opvang blijven, dan is het goed om ook een gestructureerde activiteit te organiseren: een spel, een knutselactiviteit,
  • Respecteer de eigenheid en het ritme van het kind, in het bijzonder bij het rusten en slapen. Bv. de slaaptijden, slaaprituelen, persoonlijke spulletjes,
  • Het mag niet te veel worden voor het kind. Uit experimenten blijkt dat de meeste ouders verantwoord omgaan met opvang buiten de normale uren. Ze combineren zelden vroege en late opvanguren. Als een kind bijna permanent in de opvang aanwezig is, is er best overleg tussen opvang en ouders om na te gaan of er geen andere mogelijkheden zijn.
  • Een goed contact met de ouders is belangrijk om een kwaliteitsvolle opvang te kunnen bieden. Bij opvang buiten de gewone uren, zullen er extra contactmomenten nodig zijn, zowel voor als na de start van de opvang. Bv. over het huiswerk, de slaaprituelen, de maximale aanwezigheid, het welbevinden van het kind in de opvang.

In de kinderopvang kom je met heel wat talen en culturen in contact. De thuistalen van de kinderen waarderen én benutten zorgt ervoor dat kinderen zich goed voelen in de kinderopvang! En het is goed voor hun taalontwikkeling, zowel in hun thuistaal als in het Nederlands. Enkele ideeën om andere talen in de opvang te waarderen

  • Vraag enkele sleutelwoorden in de thuistaal van het kind: hallo, toilet, drinken, eten, tot ziens Noteer deze woorden zoals ze uitgesproken worden en deel ze met collega’s.
  • Maak de thuistaal van het kind zichtbaar, Je kan de ouders bv. vragen om lege verpakkingen van voedingsmiddelen of magazines mee te brengen. Door deze in de speelruimte te leggen, bv. bij het winkeltje spelen, erken je andere talen.
  • Maak meertalige labels voor tafel, kast, toilet
  • Moedig het kind aan om zijn liedjes en rijmpjes te delen in zijn thuistaal.
  • Leg meertalige boekjes binnen handbereik.
  • Vraag ouders om cd’s en dvd’s mee te brengen waarop andere talen te horen zijn.
  • Meertalige begeleiders of ouders kunnen activiteiten organiseren waarbij ze de thuistaal van het kind gebruiken, bv. een verhaaltje vertellen, zingen, meespelen in de eigen taal (bv. door extra uitleg te geven).

Het instrument Reflecteren over meertaligheid vanuit het MeMoQ-zelfevaluatie-instrument kan je hierbij helpen. Voor elk van de 6 dimensies worden reflectievragen beschreven die je laten stilstaan bij het meertaligheid en je helpen een positieve context te creëren naar meertaligheid in je opvang.

Hoeveel werknemers kinderopvang?

Minder vraag naar opvang tijdens economische crisis – In de periode na 2012, tijdens de economische crisis, was er minder vraag naar kinderopvang. De werkloosheid nam toe en er kwamen beperkingen op het aantal vergoede uren en de financiële vergoeding voor ouders.

Daarnaast daalde tussen 2012 en 2014 ook het aantal kinderen in de opvangleeftijd. In 2014 werd de financiële vergoeding verhoogd. In 2015 daalde het aantal werknemers tot 78 duize nd, gevolgd door een vrijwel constante stijging. De gevolgen van gedwongen sluitingen van de kinderopvang in verband met de coronapandemie waren relatief klein en zorgden voor een tijdelijke afname.

Van de 117 duizend kinderopvangwerknemers in het tweede kwartaal van 2022 was bijna drie kwart jonger dan 45 jaar. Voor alle werkenden in Nederland was dat ongeveer twee derde (59 procent).

Hoeveel leidsters op verticale groep?

Groepsgrootte en verticale groepen – De groepsgrootte is ook afhankelijk of je kind in een verticale groep komt of in een horizontale groep. In een verticale groep zitten kinderen van 0 tot 4 jaar. Deze groep telt maximaal 16 kinderen. Bij de maximale groepsgrootte van 16 kinderen zijn 4 beroepskrachten aanwezig, waarbij er maximaal 8 kinderen van 0-1 jaar mogen zijn.

Hoeveel schalen kinderopvang?

Als medewerker van een kinderdagverblijf ontvang je salaris volgens de CAO Kinderopvang. De CAO (Collectieve Arbeids Overeenkomst) wordt gesloten tussen werkgevers- en werknemersorganisaties. De huidige CAO heeft een looptijd tot en met 31 december 2022.

  1. Let op : voor kinderopvangorganisaties aangesloten bij de BVOK geldt een andere CAO.
  2. In de CAO is een functiematix opgenomen, waarin de functies in de kinderopvang zijn opgenomen.
  3. Op basis van je functie wordt je ingedeeld in een salarisschaal.
  4. Iedere salarisschaal bestaat weer uit een aantal tredes.
  5. De meest voorkomende functie is natuurlijk pedagogisch medewerker,

Deze is ingedeeld in schaal 6 en gaat vanaf trede 9 tot en met 21. Begin je met werken op een kinderdagverblijf dan start je normaal met trede 9. Bij voldoende functioneren ga je ieder jaar één trede (=periodiek) omhoog. De hoogte van de salarissen in deze tredes zoals deze gelden sinds 1 januari 2021 worden in onderstaande tabel weergegeven.

Het bruto maand salaris is gebaseerd op voltijd aantal uur ( 36 ) per week. Volgens een onderzoek van de website WerkenbijKinderopvang.nl heeft circa 22 % het einde van de schaal bereikt (dus trede 21 ). Dit zijn dus vaak medewerkers die al lang in de kinderopvang werkzaam zijn. Circa 51 % is ingedeeld in trede 9 tot en met 14, circa 27 % is ingedeeld in de trede 15 tot en met 20.

(opname begin april 2019) Via de functiematrix is na te gaan in welke salarisschaal je bent ingedeeld. Onderstaand de salarissen CAO Kinderopvang 2021-2021 per trede. Vanaf 1 juli 2021 is er ook een CAO MKMB, voor werkgevers aangesloten bij de BVOK. De salarisschalen van deze CAO tref je hier aan.

Trede 1-1-2021 1-7-2021 1-1-2022 1-7-2022 1-9-2022
1 € 1.722 1.727 1.740 1.757 1.766
2 € 1.766 1.775 1.788 1.806 1.815
3 € 1.814 1.823 1.837 1.855 1.864
4 € 1.862 1.871 1.885 1.904 1.914
5 € 1.914 1.924 1.938 1.957 1.967
6 € 1.964 1.974 1.989 2.009 2.019
7 € 2.016 2.026 2.041 2.061 2.071
8 € 2.072 2.082 2.098 2.119 2.130
9 € 2.128 2.139 2.155 2.177 2.188
10 € 2.182 2.193 2.209 2.231 2.242
11 € 2.241 2.252 2.269 2.292 2.303
12 € 2.302 2.314 2.331 2.354 2.366
13 € 2.361 2.373 2.391 2.415 2.427
14 € 2.423 2.435 2.453 2.478 2.490
15 € 2.490 2.502 2.521 2.546 2.559
16 € 2.554 2.567 2.586 2.612 2.625
17 € 2.619 2.632 2.652 2.679 2.692
18 € 2.687 2.700 2.720 2.747 2.761
19 € 2.754 2.768 2.789 2.817 2.831
20 € 2.828 2.842 2.863 2.892 2.906
21 € 2.899 2.913 2.935 2.964 2.979
22 € 2.971 2.986 3.008 3.038 3.053
23 € 3.053 3.068 3.091 3.122 3.138
24 € 3.127 3.143 3.167 3.199 3.215
25 € 3.205 3.221 3.245 3.277 3.293
26 € 3.286 3.302 3.327 3.360 3.377
27 € 3.373 3.390 3.415 3.449 3.466
28 € 3.455 3.472 3.498 3.533 3.551
29 € 3.544 3.562 3.589 3.625 3.643
30 € 3.632 3.650 3.677 3.714 3.733
31 € 3.722 3.741 3.769 3.807 3.826
32 € 3.816 3.835 3.864 3.903 3.923
33 € 3.910 3.930 3.959 3.999 4.019
34 € 4.002 4.022 4.052 4.093 4.113
35 € 4.103 4.124 4.155 4.197 4.218
36 € 4.201 4.222 4.254 4.297 4.318
37 € 4.307 4.329 4.361 4.405 4.427
38 € 4.411 4.433 4.466 4.511 4.534
39 € 4.521 4.544 4.578 4.624 4.647
40 € 4.630 4.653 4.688 4.735 4.759
41 € 4.740 4.764 4.800 4.848 4.872
42 € 4.853 4.877 4.914 4.963 4.988
43 € 4.967 4.992 5.029 5.079 5.104
44 € 5.087 5.112 5.150 5.202 5.228
45 € 5.208 5.234 5.273 5.326 5.353
46 € 5.330 5.357 5.397 5.451 5.478
47 € 5.458 5.485 5.526 5.581 5.609
48 € 5.587 5.615 5.657 5.714 5.743
49 € 5.723 5.752 5.795 5.853 5.882
50 € 5.852 5.881 5.925 5.984 6.014
51 € 5.990 6.020 6.065 6.126 6.157
52 € 6.128 6.159 6.205 6.267 6.298
53 € 6.270 6.301 6.348 6.411 6.443
54 € 6.411 6.443 6.491 6.556 6.589
55 € 6.564 6.597 6.646 6.712 6.746
56 € 6.716 6.750 6.801 6.869 6.903
57 € 6.868 6.902 6.954 7.024 7.059
58 € 7.026 7.061 7.114 7.185 7.221
59 € 7.184 7.220 7.274 7.347 7.384
60 € 7.350 7.387 7.442 7.516 7.554
61 € 7.514 7.552 7.609 7.685 7.723
62 € 7.683 7.721 7.779 7.857 7.896
63 € 7.854 7.893 7.952 8.032 8.072
64 € 8.030 8.070 8.131 8.212 8.253

Hoe werken schalen en treden kinderopvang?

Wat verdient een Pedagogisch Medewerker ? – Het brutosalaris van een Pedagogisch Medewerker ligt ongeveer tussen de €2.188,- en €2.979,-. En is afhankelijk van leeftijd en ervaring. Als Pedagogisch Medewerker in de kinderopvang word je ingedeeld in een schaal volgens de functiematrix.

Het salaris Pedagogisch Medewerker kinderopvang valt volgens de CAO Kinderopvang binnen schaal 6 (trede 9 t/m 21). Bij goed functioneren ontvang je jaarlijks een verhoging en ga je een trede omhoog totdat het einde van tredes in die schaal zijn bereikt. Er zijn Pedagogisch Medewerker functies met meer verantwoordelijkheden, zoals Pedagogisch Expert en Assistent Leidinggevende, waar je vervolgens hoger voor ingeschaald wordt.

Omdat we in de kinderopvangbranche werken met een CAO, betekent dit dat alle kinderopvangorganisaties zich moeten houden aan de salarisschalen die hierin vastgesteld zijn. Het is dus niet mogelijk om bij een andere organisatie in dezelfde functie een veel hoger salaris te krijgen.