Led Weerstand Berekenen Parallel

Led Weerstand Berekenen Parallel
Reacties – Jan van de Velde op 01 mei 2016 om 20:27 Theo de Klerk op 01 mei 2016 om 20:30 Als je 3.65 V krijgt en maar 3.4 V nodig hebt, dan zul je via een seriële weerstand 0.25 V alvast moeten dalen. U=IR dus hoe groot die weerstand moet zijn hangt af van de stroom die door de parallelle (2x dubbel-L) verbindingen gaat: I = 3.4/R vervanging_parallel,

Aannemend dat deze weerstand berekend kan worden uit alle LED lamp weerstanden, kun je verder. Timo op 01 mei 2016 om 20:48 Theo de Klerk plaatste : Als je 3.65 V krijgt en maar 3.4 V nodig hebt, dan zul je via een seriële weerstand 0.25 V alvast moeten dalen. U=IR dus hoe groot die weerstand moet zijn hangt af van de stroom die door de parallelle (2x dubbel-L) verbindingen gaat: I = 3.4/R vervanging_parallel,

Aannemend dat deze weerstand berekend kan worden uit alle LED lamp weerstanden, kun je verder. En gaat er een deel van de volt af als ik het in parallel aansluit, dus de helft gaat naar het ene lampje en de andere helft naar de andere? Theo de Klerk op 01 mei 2016 om 20:54 Nee, de eigenschap van parallel is nu net dat langs welke aftakking je ook gaat, de spanningsval (uitgedrukt in volt) hetzelfde is.

Vergelijk een waterstroom naar beneden: als het water splitst door een rots of eilandje, en later weer samenkomt dan zijn beide stromen evenveel gedaald (in spanning afgenomen). Ik denk dat je in de war bent met de stroomsterkte: die verdeelt zich over beide takken (water splitst in hoeveelheid langs elke zijtak) maar komt later weer als totaal stroom samen.

Timo op 01 mei 2016 om 22:02 Theo de Klerk plaatste : Nee, de eigenschap van parallel is nu net dat langs welke aftakking je ook gaat, de spanningsval (uitgedrukt in volt) hetzelfde is. Vergelijk een waterstroom naar beneden: als het water splitst door een rots of eilandje, en later weer sanenkomt dan zijn beide stromen evenveel gedaald (in spanning afgenomen).

  1. Ik denk dat je in de war bent met de stroomsterkte: die verdeelt zich over beide takken (water splitst in hoeveelheid langs elke zijtak) maar komt later weer als totaal stroom samen.
  2. Oké, dankuwel.
  3. Dus ook op het moederbord op alle plekken op de foto is er 3.65 volt? Heb ik dan voor elk Led lampje een 2.5 volt weerstandje nodig? Jan van de Velde op 01 mei 2016 om 22:24 Er bestaan geen “2,5 volts” weerstandjes.

Je hebt duidelijk nog een paar basale lessen natuurkunde elektriciteit nodig voordat je dit zelf zou kunnen berekenen. De voorschakelweerstanden dienen ervoor te zorgen dat de stroomsterkte door de LED niet te groot wordt. Zoek om te beginnen even uit welke stroomsterkte de LEDs die je op het oog hebt nodig hebben.

Dat kan bijvoorbeeld 10 milliampère zijn, maar ook meer. De benodigde spanning ken je al. Voer dat in in een online-calculatortje zoals in mijn bericht hierboven van 20:27 en je weet hoeveel weerstand je nodig hebt in serie met elk LEDje. Timo op 01 mei 2016 om 22:30 Jan van de Velde plaatste : Er bestaan geen “2,5 volts” weerstandjes.

Je hebt duidelijk nog een paar basale lessen natuurkunde elektriciteit nodig voordat je dit zelf zou kunnen berekenen. De voorschakelweerstanden dienen ervoor te zorgen dat de stroomsterkte door de LED niet te groot wordt. Zoek om te beginnen even uit welke stroomsterkte de LEDs die je op het oog hebt nodig hebben. Timo op 01 mei 2016 om 22:37 Timo plaatste : Jan van de Velde plaatste : Er bestaan geen “2,5 volts” weerstandjes. Je hebt duidelijk nog een paar basale lessen natuurkunde elektriciteit nodig voordat je dit zelf zou kunnen berekenen. De voorschakelweerstanden dienen ervoor te zorgen dat de stroomsterkte door de LED niet te groot wordt.

Zoek om te beginnen even uit welke stroomsterkte de LEDs die je op het oog hebt nodig hebben. Dat kan bijvoorbeeld 10 milliampère zijn, maar ook meer. De benodigde spanning ken je al. Voer dat in in een online-calculatortje zoals in mijn bericht hierboven van 20:27 en je weet hoeveel weerstand je nodig hebt in serie met elk LEDje.

Dan kom ik hierop uit als het goed is? Maar dan bedoel ik 20 in plaats van 2 Timo op 01 mei 2016 om 22:44 Ik heb 220 Ohm weerstandje (rood rood bruin) nodig als ik het goed begrijp? Alleen moet dan bij elk positief draadje in de eerste foto die ik stuurde? Dus bij elk lampje een weerstandje van 220 Ohm? Bij sommige stukjes komen 2 positieve draadjes samen tot 1 en gaan naar een positief punt op het moederboard.

An daar dan ook een 220 Ohm weerstand en zijn dan allebij de lampjes goed? Mvg Timo Jan van de Velde op 01 mei 2016 om 22:46 ik zou om te beginnen eens “1” invullen bij het aantal leds dat je in serie zet. Met 0 leds gaat die calculator begrijpelijk raar doen. Timo op 01 mei 2016 om 22:50 Jan van de Velde plaatste : ik zou om te beginnen eens “1” invullen bij het aantal leds dat je in serie zet.

Met 0 leds gaat die calculator begrijpelijk raar doen. Dan kom ik op 15 Ohm uit. Jan van de Velde op 01 mei 2016 om 23:02 We zijn er Timo op 01 mei 2016 om 23:05 Jan van de Velde plaatste : We zijn er Dus bij elk positief draadje moet een 15 Ohm weerstandje? Kan het ook op een moment waar ze samenkomen bij een positief punt op het moederboard? En elk lampje moet dus een weerstandje in het positieve draadje hebben? Bedankt voor alle moeite alvast! Theo de Klerk op 01 mei 2016 om 23:31 Of 1 weerstand maar dan kleiner voordat je de aftakking maakt.

  1. Bijv 4 takken met elk 15 Ω doet in elke tak de spanning dalen met U=IR=15.I maar dat effect bereik je ook door 1 weerstand van 15/4 Ω voordat je splitsing komt.
  2. Ongesplitst zal de stroomsterkte 4x groter zijn (met 1 LED in elke afsplitsing en alle LEDs identiek) en de spaningsval is dan hetzelfde: U = 4I x (15/4) = 15.I Timo op 01 mei 2016 om 23:35 Maar ik kan ook voor elk Led lampje een weerstandje van 15 Ohm plaatsen? Theo de Klerk op 01 mei 2016 om 23:41 Ja – als die in aparte parallelle paden zitten.

Timo op 01 mei 2016 om 23:43 Theo de Klerk plaatste : Ja – als die in aparte parallelle paden zittrn. Zoals je op de eerste foto van mij ziet? Jan van de Velde op 01 mei 2016 om 23:55 Timo plaatste : Maar ik kan ook voor elk Led lampje een weerstandje van 15 Ohm plaatsen? dat is de veiligste weg: LED’s, en vooral de goedkopere, zijn niet zo heel erg betrouwbaar; de spanningsval over de ene zal altijd wat anders zijn dan over de andere.

  • Dat leidt in een parallelschakeling met één gezamenlijke voorschakelweerstand tot ongelijke lichtsterkte en in een erger geval doorbranden van de LED met de laagste spanningsval in de set.
  • Timo op 01 mei 2016 om 23:57 Jan van de Velde plaatste : Timo plaatste : Maar ik kan ook voor elk Led lampje een weerstandje van 15 Ohm plaatsen? dat is de veiligste weg: LED’s, en vooral de goedkopere, zijn niet zo heel erg betrouwbaar; de spanningsval over de ene zal altijd wat anders zijn dan over de andere.

Dat leidt tot ongelijke lichtsterkte en in een erger geval doorbranden van de LED met de laagste spanningsval. Bedoelt u goedkope leds of weerstandjes? Jan van de Velde op 02 mei 2016 om 00:00 LED’s. maar ook de duurdere maken alleen dat risico kleiner, nooit geheel afwezig.

  1. Timo op 02 mei 2016 om 00:03 Jan van de Velde plaatste : LED’s.
  2. Maar ook de duurdere maken alleen dat risico kleiner, nooit geheel afwezig.
  3. Oké dankuwel voor uw tijd.
  4. Ik waardeer het heel erg en kan aan de slag! Nogmaals erg bedankt, ik heb dit altijd al willen doen en nu weet ik hoe!! Jan van de Velde op 02 mei 2016 om 00:18 succes met je project.

Als het veel oplevert, deze site kan altijd wel wat sponsoring gebruiken Timo op 02 mei 2016 om 07:45 Jan van de Velde plaatste : succes met je project. Als het veel oplevert, deze site kan altijd wel wat sponsoring gebruiken Haha, dan moet ik meer klanten zien te vinden. Ik had nog een allerlaatste vraag, kan ik niet beter een weerstandje van 16 Ohm ( of 14, dat weet ik niet) gebruiken, zodat er nog minder volt naartoe gaat en hij minder kans heeft op doorbranden? Moet ik dan een lagere Ohm weerstand nemen of een hogere? Timo op 02 mei 2016 om 07:54 Wat betekend de torelantie en de belastbaarheid in eenvoudige taal? Moet ik daarbij ook ergens op letten? Theo de Klerk op 02 mei 2016 om 08:26 Ik krijg de indruk dat je aan iets gaat beginnen waar je helemaal geen inzicht in hebt.

Dan kan alsnog van alles misgaan. Tolerantie = onnauwkeurigheid. Een weerstand van 10 Ω met tolerantie 10% betekent dat in praktijk dd weerstand alles kan zijn tussen 9 en 11 ohm. In het productieproces heeft men niet de dure tijd genomen het exact uit te vinden. Belastbaarheid geeft aan tot waar een onderdeel “belast” kan worden voor het stuk gaat.

Bij elektronische componenten betekent dat welke maximale spanning/stroom/vermogen nog net toelaatbaar is. Jan van de Velde op 02 mei 2016 om 08:58 Timo plaatste : kan ik niet beter een weerstandje van 16 Ohm ( of 14, dat weet ik niet) gebruiken, zodat er nog minder volt naartoe gaat Zoals dat hierboven uitgerekend is is dat overbodig. Timo op 02 mei 2016 om 15:10 Oke, bedankt, en kan ik dan beter een led lampje kopen met een belastbaarheid van 1/2 of 1/4 watt? Jan van de Velde op 02 mei 2016 om 16:06 Tja, hoe fel wil je het hebben? En afhankelijk van wat je kiest moet je dan de calculator weer even opnieuw aan het werk zetten, want een hogere “belastbaarheid” betekent ook een grotere nodige stroomsterkte.

Timo op 02 mei 2016 om 18:54 dus met een 3.65 volt batterij ver spreid over een moederboard, welke kan ik dan het beste nemen? Ze moeten ze vel mogelijk.1/2 of 1/4 watt? Jan van de Velde op 02 mei 2016 om 20:03 Die vraag kunnen wij niet voor je beantwoorden, toch zeker niet als de helft van je vraag onbegrijpelijk is: Timo plaatste : Ze moeten ze vel mogelijk.

??huh?? Wil je ze feller dan pak je een groter vermogen, en ½ W is meer dan ¼ W. Zolang je maar zorgt dat ze qua doorlaatspanning redelijk ruim onder je 3,65 V voedingsspanning blijven.

Contents

You might be interested:  Benodigd Vermogen Radiator Berekenen

Hoe bereken je de weerstand voor een led?

Minimale waarde van de serieweerstand –

Afbeelding: 01
Led met serieweerstand
Tekening gemaakt door: Fred Eikelboom

Om er voor te zorgen dat de stroom door de led niet te hoog kan worden, zal de serieweerstand een bepaalde minimale waarde moeten hebben. Het berekenen van de minimale waarde kan met de ‘ Wet van Ohm ‘. De formule voor het berekenen van de weerstandswaarde is: R = U / I, ofwel; weerstand is spanning gedeeld door stroom (ohm = volt / ampères).

Hoeveel weerstand heeft een led?

Het woord ‘led’ is een afkorting voor ‘light-emitting diode’. Een led is een diode die licht uitstraalt. Sommige mensen noemen het ook weel een lampje, maar dat is geen correcte benaming, en een led heeft bovendien heel andere eigenschappen dan een ouderwetse gloeilamp. Het symbool van een led Een led sluit je aan in de juiste oriëntatie. Net zoals een diode zal deze geen stroom geleiden als deze in de verkeerde richting is aangesloten, en dan zal de led geen licht uitstralen. De led gaat niet stuk als je hem verkeerd om aansluit, je kunt makkelijk proberen of het werkt door hem even om te draaien. Om de led aan te zetten zal de anode(+) aan de positieve kant van de spanningsbron moeten worden aangesloten. De kathode(-) zal aan de negatieve kant moeten worden aangesloten. Een led gedraagt zich anders dan veel andere componenten. Bij een aangesloten led meet je altijd eenzelfde voltage, en de stroomsterkte kan varieren.

kleur voltage
rood 1,8 volt
geel 2,2 volt
groen 3,5 volt
blauw 3,6 volt
wit 4,0 volt

De stroomsterkte die er door de led zal lopen wordt bepaald door de rest van het circuit. Als er te veel stroom door de led loopt, zal deze stuk gaan. Meestal reken je met 20 mA als stroomsterkte. In de praktijk zal 10 tot 30 mA prima werken. Bij een hogere stroom wordt de led snel heet en gaat hij stuk.

  1. Dit hoef je niet te proberen: Als we een rode led aansluiten op een spanningsbron van 3,3 volt of 5 volt, die voldoende stroom kan geven, dan zal door de led veel meer stroom gaan lopen dn hij aan kan.
  2. Je voelt de led dan warm worden en hij brandt door.
  3. De spanning die over de weerstand staat wordt blijkbaar bepaald door de kleur van de led.

We kunnen daar niets aan veranderen. Wel zullen we de stroomsterkte moeten beperken. We kunnen de stroomsterkte gemakkelijk regelen met behulp van een weerstand. Bij de meeste leds rekenen we met een maximaal toegestane stroomsterkte van ongeveer 20 milliampère. We zetten een weerstand in serie met de led. Dat kan bijvoorbeeld volgens het schema van de afbeelding, met een spanningsbron van 3,3 volt aan de led, de andere kant van de led zit aan de weerstand, en de andere kant van de weerstand is verbonden aan de ground (GND) of de min. Hier staat dat de spanning gelijk is aan de stroom maal de weerstand. Op dit moment willen we niet de spanning uitrekenen, en daarom noteren we de formule anders door links en rechts te delen door I. Zo krijgen we de formule voor de weerstand: In de natuurkunde korten we spanning af met U, stroomsterkte met I en weerstand met R. De hierboven genoemde formule betekent eigenlijk het volgende: Hier kunnen we de spanning van onze spanningsbron in volt invullen, en de gewenste stroomsterkte in ampère (1 ampère = 1000 milliampère). Hieruit bereken je de waarde voor onze weerstand, en dat getal ronden we af naar een waarde die lijkt op één van de weestanden die we in onze werkplaats hebben.

Waarom voorschakelweerstand led?

Weerstand kan alleen worden weggelaten indien deze is aangesloten in een circuit met een stroombegrenzing van 20mA of minder. Gebruik je geen weerstand dan is het zo gedaan met de LED. De levensduur zal enorm teruglopen.

Hoe bereken je weerstand kleurcode?

Wat is de weerstandscode? De weerstandscode is een kleurcodering voor elektronica: aan de hand van kleuren kan de waarde van elektronische componenten voorgesteld worden. Denk hierbij aan weerstanden, condensatoren, spoelen, Waarom bestaat er een kleurcodering voor elektronica? Een component kan heel klein zijn waardoor het moeilijk is om hier tekst op te drukken.

  • Ook als een component gemonteerd is, was het heel moeilijk om de waarde erop af te lezen.
  • Er werd gezocht naar een oplossing zodat je langs alle kanten van de componenten de code kon lezen.
  • De keuze werd gemaakt voor gekleurde ringen Hoe kan je de weerstand berekenen met een kleurencode van 4 ringen? Je zoekt de waarde op van de kleuren van de eerste twee ringen en noteert deze na elkaar.

Van het derde kleur kijk je naar de vermenigvuldingsfactor (vb: rood = *100). De vierde ring geeft de tolerantie weer. Hoe kan je de weerstand berekenen met een kleurencode van 5 ringen? Je zoekt de waarde op van de kleuren van de eerste drie ringen en noteert deze na elkaar.

Van het vierde kleur kijk je naar de vermenigvuldingsfactor (vb: rood = *100). De vijfde ring geeft de tolerantie weer. Hoe kan je de weerstand berekenen met een kleurencode van 6 ringen? Je zoekt de waarde op van de kleuren van de eerste drie ringen en noteert deze na elkaar. Van het vierde kleur kijk je naar de vermenigvuldingsfactor (vb: rood = *100).

De vijfde ring geeft de tolerantie weer. De zesde ring geeft de temperatuurafhankelijkheid mee. Hoe bepaal je de waarden van de kleuren van de weerstandscode? De waarde, vermenigvuldigingsfactor, tolerantie en temperatuurcoëfficiënt kan je terugvinden in de tabel met weerstand kleurcodering.

Hoeveel Ampere per led?

Hoe zet je een led aan? – Een ander essentieel verschil tussen een led en een gloeilamp is de manier waarop je ze van elektriciteit voorziet: leds moeten worden aangestuurd door er een bepaalde stroom doorheen te sturen, niet door er een bepaalde spanning overheen te zetten.

Je kunt een gewone led dus ook niet zomaar op een batterij of andere spanningsbron aansluiten – ze zullen dan niet werken of juist heel snel kapot gaan. Bij een led wordt dan ook aangegeven bij welke stroom de lichtopbrengst optimaal is (dat wil zeggen: zoveel mogelijk licht bij een zo lang mogelijke levensduur).

Bij de van oudsher verkrijgbare standaardleds is dit vaak iets van 20 milli-ampère (20 mA); bij zogenoemde low-current-leds is dit aanzienlijk minder, vaak iets tussen 3 en 5 mA. Dit aansturen met stroom in plaats van spanning is ook meteen het grote probleem voor veel mensen die leds willen gebruiken.

  • Vrijwel alle vormen van elektriciteitsvoorziening zijn spanningsbronnen, zoals batterijen, adapters of computervoedingen; stroombronnen zijn niet los te koop.
  • Een extra complicatie is dat een led zich weliswaar als een diode gedraagt en dus stroom in één richting kan doorlaten – maar niet bepaald een ideale diode.

Zelfs in de doorlaatrichting moet er een bepaalde spanning (de nominale spanningsval ) over de led staan voordat deze de gewenste stroom doorlaat. Als je een led op een gewone spanningsbron aansluit en de spanning langzaam opvoert, zal er eerst bijna niets gebeuren. De moraal van het verhaal is simpel: hang een led nooit zomaar aan een spanningsbron zoals een batterij of een adapter. Het ding zal meestal kapot gaan of domweg niets doen. Ja, het kan soms goed gaan, vooral bij lichte batterijen (die een relatief grote inwendige weerstand hebben); verder zijn er ook enkele uitzonderingen zoals knipperleds, die wel direct op een spanningsbron aangesloten kunnen worden.

Deze laatste zijn echter geen simpele leds, maar bevatten een complete chip met knippercircuit en stroomregeling. Hier kunnen we dan ook niet verder op ingaan. Een dergelijk exponentieel verband tussen spanning en stroom geldt in principe voor alle dioden; de exacte waarden van de nominale spanningsval en de stroom zijn echter sterk afhankelijk van het type diode.

De meeste gewone leds worden aangestuurd met een stroom van maximaal 20 mA (milli-ampère), oftewel 0,02 ampère. De waarde van de nominale spanningsval is afhankelijk van de kleur van de led; bij rode leds is dit meestal zo’n 1,9 volt, bij gele en groene leds 2,0 respectievelijk 2,1 volt, en bij blauwe en witte leds 3,6 volt.

  • Raadpleeg echter altijd de datasheets van een led als deze beschikbaar zijn, want zeker bij moderne, geavanceerdere typen leds kunnen deze waarden flink afwijken.
  • Gelukkig kun je de benodigde werkstroom heel eenvoudig opwekken door een weerstand in serie te zetten met een vaste spanningsbron.
  • Een weerstand is zo ongeveer het eenvoudigste en goedkoopste elektronische onderdeel dat er bestaat; zoals de naam al aangeeft, levert het een bepaalde weerstand op voor de stroom die er doorheen loopt.

Je stuurt een led aan door een spanningsbron te nemen met een hogere spanning dan de nominale spanningsval van de led, en de weerstand zo te kiezen dat de gewenste stroom door de hele keten loopt. In de volgende pagina’s leggen we uit hoe je de benodigde berekeningen uitvoert.

Hoe bepaal je de weerstand van een lampje?

Wet van Ohm Op zaterdag 19 jun 2021 om 17:55 is de volgende vraag gesteld Ik snap de ohmse weerstand en niet ohmse weerstand niet? Erik van Munster reageerde op zaterdag 19 jun 2021 om 18:15 Enige verschil tussen ohms en niet-ohms is dat bij een ohmse weerstand R constant is en bij een niet-ohmse weerstand niet.

  • Stel: bij een Ohmse-weerstand loopt er bij een spanning van 6,0 V een stroom van 2,0 A.
  • Je weet dat dat de weerstand dan R=U/I = 6,0/2,0 = 3,0 Ω is.
  • Bij een ohmse weerstand is dit dan bij elke spanning zo.
  • Bij 0,004 V, 12V, 2000V of wat voor spanning dan ook: de weerstand is en blijft 3,0 Ω.
  • Bij een niet-weerstand is dit niet zo e is de weestand bij verschillende spanningen anders.

Roaa Ibesh vroeg op maandag 30 mrt 2020 om 13:35 maar als de stroomsterkte daalt, daatlt de spanning ook toch? Erik van Munster reageerde op maandag 30 mrt 2020 om 19:18 Als de stroomsterkte die ergens door loopt daalt komt doordat 1) De spanning afneemt of 2) De weerstand toeneemt Stroom moet je zien als een gevolg van de spanning.

  1. Je kunt de spanning dus gebruiken om meer of minder stroom te laten lopen ergens doorheen.
  2. Misschien heb je op school ook wel practicum gehad over elektrische schakelingen.
  3. Je gebruikt daarbij een kastje waarop je met een knop de spanning kunt regelen.
  4. Er zit geen knop op om ‘stroom te regelen’.
  5. Met de spanning bepaald je hoeveel stroom er uiteindelijk gaat lopen.

Quentin Welbie vroeg op donderdag 25 apr 2019 om 18:51 Hoe bereken je dan de weerstand bij niet Ohmse weerstanden? Erik van Munster reageerde op donderdag 25 apr 2019 om 19:31 Bij niet Ohmse weerstanden bereken je R op precies dezelfde manier: R = U/I Het verschil met Ohmse weerstanden is dat R niet constant is en dat je bij een andere spanning een andere weerstand zal vinden.

Maar de berekening is hetzelfde. Thomas Rous vroeg op dinsdag 27 mrt 2018 om 18:00 Beste Erik, Als je feller licht wil krijgen in bijvoorbeeld een leeslamp, draai je dan juist een LED met een kleine of grote weerstand in de lamp? Met andere woorden hangt de felheid van het licht af van de hoeveelheid stroom of hoeveelheid spanning? Ik hoor het graag van u! Erik van Munster reageerde op dinsdag 27 mrt 2018 om 18:31 Als je een lamp op het stopcontact of op een batterij aansluit ligt de spanning vast.

Bij het stopcontact is de spanning 230 V, bij een batterij de batterijspanning. Dit betekent dat U niet verandert en voor elke lamp hetzelfde is. De stroom kan wél verschillen per lamp. Door een lamp met een kleinere weerstand loopt meer stroom dan door een lamp met een hogere weerstand.

  • Een lamp met een kleinere weerstand zal dus ook feller branden.
  • Dus: De felheid van een lamp hangt af van de stroom (I) en niet de spanning (U).
  • Door een lamp met kleine R te kiezen kun je veel stroom laten lopen en heb je een fellere lamp.
  • Jan Walter vroeg op zondag 4 sep 2016 om 11:27 Hallo Erik, Als de weerstand toeneemt daalt de stroomsterkte.
You might be interested:  Hoeveel Is Kosten Koper Berekenen

Maar het stroomverbruik bij grote weerstanden neemt toe. In welke formule zie ik dat nu terug? Dank Jan Walter

  • Erik van Munster reageerde op zondag 4 sep 2016 om 12:29
  • Jan Walter reageerde op zondag 4 sep 2016 om 12:32
  • Erik van Munster reageerde op zondag 4 sep 2016 om 13:00
  • Jan Walter reageerde op zondag 4 sep 2016 om 13:06

Als de weerstand toeneemt daalt de stroomsterkte door die weerstand mits (en dat is hier wel belangrijk) de spanning over die weerstand gelijk blijft. In formulevorm: I = U/R Dat wil zeggen dat als je in een schakeling een weerstand verhoogt waarbij je de spanning gelijk laat er minder stroom door die weerstand zal lopen.

(Bij “het verbruik” gaat het niet om de stroom maar om het vermogen wat door iets verbruikt wordt. Ook hiervoor geldt dat, bij gelijke spanning, een weerstand minder vermogen gebruikt als de weerstand toeneemt en dus ook minder warm wordt)Maar het is toch zo dat apparaten met grote weerstand, bv een wasmachine, veel stroom gebruiken?Door apparaten die veel energie verbruiken loopt inderdaad meer stroom.

Maar de weerstand is juist laag: daarom loopt er zoveel stroom door. De weerstand van een wasmachine is dus LAGER dan de weerstand van een telefoonlader. Je kunt het ook zo zien: Als je niks op een stopcontact aansluit is er eigenlijk een oneindig hoge weerstand.

  • De stroom is 0 en er wordt niks verbruikt.
  • Als je kortsluiting maakt en de twee polen van het stopcontact rechtstreeks rechtstreeks verbindt is de weerstand vrijwel 0 en maak je kortsluiting.
  • Er loopt dan heel veel stroom (tot de stoppen doorslaan) en het verbruik is eventjes heel hoog.Het kwartje is gevallen! Ik dacht dat een lampje van 50 Watt een grotere weerstand had dan een van 30 Watt, maar Watt is een maat voor gebruik en niet voor weerstand.

Veel dank! Roderick van t Wout vroeg op maandag 30 nov 2015 om 17:35 hoe moet ik dan rekenen met gegevens als ik met een lampje te maken heb dus als er geen constante weerstand is? Erik van Munster reageerde op maandag 30 nov 2015 om 19:10 Dag Roderick, Je kunt de wet van Ohm gewoon gebruiken, ook bij een niet-ohmse weerstand.

Als je de stroom (I) en spanning (U) weet kun je bijvoorbeeld de weerstand (R) uitrekenen met R = U/I Het enige dat je in de gaten moeten houden is dat de weerstand niet constant is en bij een andere spanning R anders is. Op zondag 18 mei 2014 om 12:11 is de volgende vraag gesteld Als je de formule U=I*R hebt dan geldt toch juist dat voor een hogere R de U ook groter moet worden of de I kleiner? Omdat de de 2 helften gelijk moeten blijven aan elkaar.

Hoe kan het dan dat bij een grotere R toch de U kleiner wordt? Ik kan wel beredeneren dat met een hogere R er meer spanning wordt tegengehouden maar kan het niet verklaren a.d.h.v de formule. Erik van Munster reageerde op zondag 18 mei 2014 om 13:23 Als je de stroom (I) constant is, is bij een grotere weerstand (R) de spanning (U) ook hoger.

  • Je hebt meer spanning nodig om door een grotere weerstand dezelfde stroom te laten lopen.
  • In het geval waar jij het over hebt (kleinere U bij grotere R) is er waarschijnlijk wat anders aan de hand.
  • Je moet dan echt even naar de schakeling zelf kijken om te zien wat er aan de hand is en wat er precies bedoeld wordt, je hebt namelijk meerdere spanningen, stromen en weerstanden.

Zie ook de videolessen “Serieschakelingen” en “Parallelschakelingen” Ewoud Luiten vroeg op zaterdag 18 jan 2014 om 00:33 Klopt het wel dat bij het plaatje in dit filmpje (na 50 seconde zichtbaar)de onderste lijn een U/I verhouding beschrijft die zorgt voor een niet zo’n grote weerstand? Ik dacht juist dat het andersom was, omdat je bij de bovenste lijn een grotere waarde van I hebt bij dezelfde waarde van de spanning, toch? Erik van Munster reageerde op zaterdag 18 jan 2014 om 12:26 Dag Ewoud, Je hebt gelijk: Bij een hogere weerstand wordt er meer stroom tegengehouden en loopt er dus minder stroom.

De onderste grafiek is dus inderdaad voor een hoge weerstand (weinig stroom) en de bovenste lijn is voor een lage weerstand (veel stroom). Ik zeg het volgens mij ook inderdaad net andersom in de video. Excuses voor de verwarring. Rick van Elmpt vroeg op vrijdag 18 okt 2013 om 12:17 Als je bij een lampje niet de wet van Ohm mag gebruiken, Hoe moet je dan de weerstand berekenen of welke formule moet je daarvoor gebruiken? Erik van Munster reageerde op vrijdag 18 okt 2013 om 14:55 De weerstand kun je altijd (ook bij een lampje) berekenen met R=U/I alleen is deze R NIET constant: Bij andere stromen en spanningen is de weerstand anders.

Hoe je R kunt berekenen als je U en I niet weet hangt van de vraag af. Vaak staat bij vragen over niet-ohmse weerstanden een grafiek met spanning en stroom waaruit je U en I kunt aflezen en zo R kunt berekenen. Lisabeth Van Berkel vroeg op maandag 19 aug 2013 om 01:52 Ik ben een beetje in de war na het maken van een examenopgaven,

  1. Erik van Munster reageerde op maandag 19 aug 2013 om 10:25
  2. Lisabeth Van Berkel reageerde op maandag 19 aug 2013 om 15:49
  3. Erik van Munster reageerde op maandag 19 aug 2013 om 15:57
  4. Erik van Munster reageerde op maandag 19 aug 2013 om 15:58
  5. Lisabeth Van Berkel reageerde op maandag 19 aug 2013 om 18:35
  6. Erik van Munster reageerde op dinsdag 20 aug 2013 om 14:27

Je kunt ook P=U*I gebruiken maar je moet hier dan wel de U en I door snoer 1 invullen. Voor I geldt dat de stroom door snoer 1 hetelfde is als de stroom door de hele schakeling. Voor U geldt dit niet: De spanning over de totale schakeling is 2,1 V maar de spanning over snoer 1 is maar een deel hiervan.

Met de wet van Ohm kun je de spanning over snoer 1uitrekenen. U=I*R = 20*0,023 = 0,46 V. Als je U=0,46V en I=20A invult in P=U*I kom je op het goede vermogen.Waarom geld voor I dat de stroom door de schakeling overal hetzelfde en voor U dat de spanning per snoer anders kan zijn?Dat zie je als je de stroom uit de batterij volgt: Alle stroom die uit de batterij stroomt gaat eerst door snoer 1 heen.

(Er zitten wel aftakkingen in de schakeling waarbij de stroom wordt opgedeeld, maar deze zitten pas verderop in de schakeling).Voor de spanning geldt: Snoer 1 staat in serie met andere onderdeln van de schakeling. Voor dingen die in serie staan geldt dat de totale spanning zich opdeelt.Wanneer wordt de stroom over een schakeling verdeeld?Als er ergens een splitsing zit (dwz als er componenten parallel staan).

  • De stroom zal zich dan bij de splitsing vetakken.
  • Een deel van de stroom gaat langs de ene tak de rest gaat langs de andere tak.
  • Zie ook de videoles “parallelschakeling” Lisabeth Van Berkel vroeg op donderdag 8 aug 2013 om 13:46 Bij een lampje mag je de wet van ohm dus niet toepassen.
  • Ook niet als er staat dat de weerstand door een lamp met 100 ohm is, en de spanning ook gegeven is (waarmee ik dan de stroomsterkte kan uitrekenen) ? Erik van Munster reageerde op donderdag 8 aug 2013 om 14:15 Ja, hoor.

De wet van Ohm geldt ook voor lampjes. Als de weerstand (R) en de spanning (U) gegeven zijn kun je met de wet van Ohm dus gewoon de stroom door het lampje uitrekenen. Maar pas op: Deze weerstand is bij een lampje niet constant. Als de spanning verandert, verandert ook R.

Je kunt de stroom dus alleen uitrekenen bij deze spanning. Bij een andere spanning is er ook een andere weerstand. Op woensdag 8 mei 2013 om 08:12 is de volgende vraag gesteld Hoe kan het dat als de temperatuur in het lampje stijgt de weerstand dan groter wordt? Erik van Munster reageerde op woensdag 8 mei 2013 om 11:17 Temperatuur is eigenlijk een maat voor de beweging van de moleculen in een stof.

In een vaste stof zitten de moleculen en atomen vast op hun plaats. Ze kunnen dus alleen snel bewegen door heen en weer te trillen. Als de temperatuur van een gloeidraad in een lampje stijgt trillen de moleculen dus veel sneller. De elektronen hebben meer moeite om door deze trillende moleculen heen te komen.

Kun je een LED lamp doormeten?

Leds testen – Soms wil je weten of een led nog goed is, en soms ook weet je niet eens de kleur. En wat moet je aanvangen met infrarode leds, waarvan het licht sowieso niet zichtbaar is? Het testen van een led is eigenlijk reuze simpel: sluit het ding met een voorschakelweerstand van 1 K aan op een batterij van 9 volt; als de led niet brandt, verwissel dan de aansluitingen.

  1. Als het ding in geen van beide gevallen licht geeft, is ‘ie waarschijnlijk kapot, of heb je te maken met een infrarode led, oftewel een led zoals die in afstandsbedieningen te vinden is.
  2. Hierover lees je verderop meer.
  3. Als je een voltmeter hebt, sluit deze dan aan over de pennen van de led; als de spanning in beide gevallen (bijna) hetzelfde is als de batterijspanning, is de led vrijwel zeker kapot.

Als de spanning in één geval 1,9 volt bedraagt, gaat het mogelijk om een infrarode led (die dan ook nog gewoon goed kan zijn). Het type led (low-current, gewoon), oftewel de werkstroom, kun je enigszins inschatten door een bekende led van dezelfde kleur in serie op te nemen, zodat je dus die twee leds en de weerstand van 1 K aansluit op de 9V-batterij.

Als de bekende led een standaardexemplaar is en aanzienlijk zwakker brandt dan het onbekende type, is de onbekende led waarschijnlijk een low-current-type, dan wel een met een extra hoge lichtopbrengst. Ze doen ‘t allemaal niet! Een van de meest gemaakte fouten bij een serieschakeling van leds is dat er één of meer leds verkeerd om zijn aangesloten, waardoor de hele serieschakeling het niet doet.

Immers, de omgedraaide led werkt als diode in sperrichting, en blokkeert de stroom voor alle andere leds. Je kunt dan controleren of alle leds in dezelfde richting zijn aangesloten, maar het is vaak goed turen om te zien wat de anode en de kathode is; sterker nog: als je geen ronde leds gebruikt en de aansluitpennen al hebt afgeknipt, zijn anode en kathode soms nauwelijks van elkaar te onderscheiden.

Wat nu? Als je een voltmeter hebt, is het simpel: sluit de min van de voltmeter aan op de kathode van de ‘onderste led’, dus de led die op de laagste spanning is aangesloten. Meet met de plus-pen van de meter aan de contacten van de achtereenvolgende leds, te beginnen bij het onderste exemplaar. Zolang je de dwarsligger nog niet bent gepasseerd, zal de meter (bijna) nul aangeven.

Zodra je echter het omgedraaide of kapotte exemplaar voorbij bent, zie je de spanning een sprong maken. Draai deze laatste led om, en de kans is groot dat alles nu werkt! Tenzij je natuurlijk meerdere leds verkeerd om hebt geschakeld, zodat je weer opnieuw moet beginnen met meten,

You might be interested:  Wanneer Mag Je Administratiekosten Berekenen

Infrarode leds Allereerst kun je bij een infrarode led controleren of er een stroom doorheen loopt; dit type led heeft ongeveer dezelfde nominale spanningsval als een rode led (1,9 volt), zodat je er met een voeding van 9 volt en een voorschakelweerstand van 390 ohm circa 20 mA doorheen moet kunnen sturen.

Het probleem van infrarode leds is dat het uitgezonden infrarode licht voor het blote oog onzichtbaar is. Het aardige is echter dat de meeste elektronische camera’s wel gevoelig zijn voor dit infrarode licht. Als je dus een digitale foto- of videocamera hebt, of zelfs maar een simpele webcam, kun je controleren of een infrarode led licht geeft.

Mocht je geen elektronische camera in de buurt hebben, dan kun je op een indirecte manier zien of een infrarode led werkt: zorg dat je in de buurt bent van een apparaat dat met een bijbehorende afstandsbediening, bijvoorbeeld een televisie. Helemaal ideaal is het als een knipperend lichtje op het toestel aangeeft dat er een signaal van de afstandsbediening wordt ontvangen.

Je kunt nu kijken of de verdachte infrarode led (of complete andere afstandsbediening) het signaal van de goede afstandsbediening merkbaar verstoort. Het best kun je de led dicht bij het ontvanger-‘oogje’ van de afstandsbediening houden, terwijl je de afstandsbediening zelf op wat meer afstand houdt.

Kan een LED op wisselstroom?

Leds nooit op wisselspanning aansluiten –

Afbeelding: 17
Gelijkrichting (bruggelijkrichter) en afvlakking van de rimpel m.b.v. een elco
Tekening gemaakt door: Fred Eikelboom

Indien er geen gelijkspanning aanwezig is voor het voeden van leds, pas dan deze schakeling toe voor de voeding van de leds. De trafospanning (6-12V ~ wordt gelijkgericht met 4 diodes en afgevlakt met een elco van 100uF. Hiermee wordt voorkomen dat de leds gaan knipperen.

Als een led toch op wisselspanning moet, dan moet er een diode (bijvoorbeeld een 1N4148) antiparallel over de led (zie fig. A in schema 15) worden geplaatst. De tegenspanning over de led wordt dan begrensd op 0,7 volt. Gevolg is dan wel dat de weerstand nu aanmerkelijk warmer wordt, omdat tijdens de negatieve fase van de wisselspanning bijna de volle voedingsspanning over de weerstand staat (zie fig.

B in schema 15). Nog beter is het om in plaats van een antiparalleldiode in serie met de weerstand en led een diode te plaatsen (zie afbeelding 16). Nu is de led optimaal beschermd, daar tijdens de tegengestelde fase van de voedingsspanning (zie fig. B in schema 16), er geen tegenspanning meer over de led staat.

Die tegenspanning staat nu wel over de 1N4148 en die kan wel 100 volt sperspanning aan. Omdat er nu tijdens de positieve fase van de voedingsspanning 0,75 volt over de 1N4148 valt (fig. A in schema 16), zal er ook iets minder spanning over de weerstand staan. Ook over de led staat nu iets minder spanning.

Voor de helderheid maakt dat echter nagenoeg niets uit.

Kan LED in serie?

Afhankelijk of LED verlichting wordt aangestuurd middels stroom of spanning dienen meerdere LED lampen parallel of in serie geschakeld te worden. Het meest voorkomend is dat LED lampen in serie worden geschakeld.

Hoe bekom je de voorschakelweerstand van de LED?

Minimale waarde van de serieweerstand –

Afbeelding: 01
Led met serieweerstand
Tekening gemaakt door: Fred Eikelboom

Om er voor te zorgen dat de stroom door de led niet te hoog kan worden, zal de serieweerstand een bepaalde minimale waarde moeten hebben. Het berekenen van de minimale waarde kan met de ‘ Wet van Ohm ‘. De formule voor het berekenen van de weerstandswaarde is: R = U / I, ofwel; weerstand is spanning gedeeld door stroom (ohm = volt / ampères).

Welke weerstand nodig voor LED knipperlicht?

Weerstanden – Wanneer je het nieuwe led-knipperlicht niet via de bovenstaande relais kunt aansturen, dan moet je vermogensweerstanden voor de regeling van de knipperfrequentie gebruiken (dan behoud je het originele relais). Bijna alle led-knipperlichten uit ons assortiment werken bij het originele knipperrelais met een vermogensweerstand van 6,8 ohm.

Wat is een nadeel van parallelschakeling?

Het verschil tussen serie- en parallel geschakelde zonnepanelen: de voor- en nadelen uitgelegd Zonnepanelen kunnen zowel parallel als in serie geschakeld worden. De keuze hangt van een aantal verschillende factoren af en bepaalt voor een groot deel de opbrengst van je,

  1. Goed om te weten wat het verschil is tussen beide opties en wat de voor- en nadelen zijn.
  2. In een serieschakeling zijn de onderdelen in de stroomkring achter elkaar aangesloten, zodat de stroom van het ene onderdeel aan de andere wordt doorgegeven.
  3. De stroom is in deze schakeling dus overal gelijk, maar de crux zit ‘m in de totale spanning.

Die is gelijk aan de som van de spanning per onderdeel. Dat betekent dat als er 1 onderdeel geen stroom doorgeeft, alle andere onderdelen ook geen stroom meer krijgen. In een parallelschakeling zijn de panelen individueel op dezelfde spanningsbron aangesloten, zodat de spanning overal gelijk is. In serie geschakelde zonnepanelen worden ook wel een string genoemd, een soort draad van zonnepanelen. Er ontstaat hierdoor een grote stroomkring, vergelijkbaar met een snoer kerstlampjes. De stroom loopt door de hele kring naar de omvormer, waar van gelijkspanning wisselspanning wordt gemaakt.

Een groot voordeel van deze schakeling is zijn prijs: er zijn weinig onderdelen zoals bekabeling nodig, waardoor de kosten relatief laag uitvallen. Daarnaast levert een serieschakeling hoge spanning, wat twee voordelen met zich meebrengt: er treedt minder (warmte)verlies op en de gelijkspanning kan makkelijker worden omgezet naar wisselspanning.

Een groot nadeel is dat de stroomsterkte afhangt van alle zonnepanelen: wanneer 1 zonnepaneel minder stroom levert, dan zullen al de andere panelen in de keten minder goed presteren. Stel dat het ene paneel bijvoorbeeld 260 kWh kan leveren en een ander paneel 280 kWh, dan zullen beide panelen slechts 260 kWh stroom leveren.

  • Parallel geschakelde zonnepanelen worden naast elkaar aangesloten: de plussen worden op de plussen aangesloten en de minnen op de minnen.
  • Zo ontstaat er net als bij serie één grote stroomkring, maar wordt elk paneel afzonderlijk aangesloten op het circuit.
  • Het grote voordeel van deze schakeling is dat de afzonderlijke panelen elkaar niet beïnvloeden: als er eentje minder presteert, zal dit geen effect hebben op de prestaties van andere panelen.

Onmisbaar als er schaduw op je dak valt of als je ook stroom wilt blijven produceren als er af en toe een zonnepaneel stukgaat. Het nadeel is dat het wel wat prijziger is dan een schakeling in serie. Echter kan het in de meeste gevallen zeker wel opwegen tegen de anders gemiste opbrengsten.

Naast in serie of parallel geschakelde zonnepanelen, kan ook voor een systeem met gekozen worden. Dit is een klein kastje dat aan elk paneel wordt bevestigd. Het kan de opbrengst van een paneel monitoren en het voltage en ampère zo afstemmen om het maximale eruit te halen als de opbrengst van de andere panelen negatief wordt beïnvloedt.

Dit komt goed van pas bij schaduw of als er een systeem op meerdere dakoppervlakken wordt gemonteerd. Een groot nadeel is dat het een stuk duurder is dan een serieschakeling. Ook vraagt het om meer onderhoud en zorgt het voor meer stroom- en warmteverlies.

Een is maatwerk. Daarom kan het in het ene geval slim zijn om in serie te schakelen, terwijl je in het andere geval kiest voor parallelschakeling of optimizers. Het hangt onder andere af van je budget, de ruimte, het aantal zonnepanelen en dakoppervlakken en de hoeveelheid schaduw. In ons gratis en vrijblijvende brengen we jouw specifieke situatie nauwkeurig in beeld, zodat je precies weet wat voor jou de beste keuze zou zijn.

: Het verschil tussen serie- en parallel geschakelde zonnepanelen: de voor- en nadelen uitgelegd

Wat blijft gelijk in een parallelschakeling?

In een parallelschakeling zijn er meerdere stroomkring waarover de lading zich verdeelt. Hoe de stroomsterkte zich verdeelt hangt af van de weerstand van de lampjes. Alleen als de lampjes dezelfde weerstand hebben, zal de stroomsterkte door beide lampjes gelijk zijn.

Hoe bereken je de stroomsterkte in een parallelschakeling?

Om de stroom uit te rekenen in een parallelschakeling, heb je eerst de algemene formule I = U / R nodig. Voor een parallelschakeling geldt nu: I = I 1 + I 2 + I 3 + = U / R 1 + U / R 2 + U / R 3 +

Hoe bereken je een onbekende weerstand?

De weerstand berekenen we met R=U/I. De waarden van U en I zijn de niet-afgeronde waarden. Voor U vullen we dus 3,123 V in en voor I vullen 0,102 A in. We vinden dan R = 3,123 / 0,102 = 30,6176 Ω.

Hoe bereken je de weerstand van een draad?

De lengte van de draad is 0,80 m. Invullen in de formule geeft een weerstand van 0,069264 Ω. Met de wet van Ohm bereken we de stroom door de draad: I = U/R = 0,5 V / 0,069264 Ω = 7,2187 A.

Hoe bepaal je de vervangingsweerstand?

Wat is de vervangingsweerstand van weerstanden in serie? De vervangingsweerstand van weerstanden in serie is de som van de afzonderlijke weerstanden. Bijvoorbeeld: 3 weerstanden van 100, 200 en 500 Ω die in serie staan hebben gezamelijk een weerstand van 800 Ω.

Hoe bereken je de kleurcode van een weerstand?

Wat is de weerstandscode? De weerstandscode is een kleurcodering voor elektronica: aan de hand van kleuren kan de waarde van elektronische componenten voorgesteld worden. Denk hierbij aan weerstanden, condensatoren, spoelen, Waarom bestaat er een kleurcodering voor elektronica? Een component kan heel klein zijn waardoor het moeilijk is om hier tekst op te drukken.

Ook als een component gemonteerd is, was het heel moeilijk om de waarde erop af te lezen. Er werd gezocht naar een oplossing zodat je langs alle kanten van de componenten de code kon lezen. De keuze werd gemaakt voor gekleurde ringen Hoe kan je de weerstand berekenen met een kleurencode van 4 ringen? Je zoekt de waarde op van de kleuren van de eerste twee ringen en noteert deze na elkaar.

Van het derde kleur kijk je naar de vermenigvuldingsfactor (vb: rood = *100). De vierde ring geeft de tolerantie weer. Hoe kan je de weerstand berekenen met een kleurencode van 5 ringen? Je zoekt de waarde op van de kleuren van de eerste drie ringen en noteert deze na elkaar.

Van het vierde kleur kijk je naar de vermenigvuldingsfactor (vb: rood = *100). De vijfde ring geeft de tolerantie weer. Hoe kan je de weerstand berekenen met een kleurencode van 6 ringen? Je zoekt de waarde op van de kleuren van de eerste drie ringen en noteert deze na elkaar. Van het vierde kleur kijk je naar de vermenigvuldingsfactor (vb: rood = *100).

De vijfde ring geeft de tolerantie weer. De zesde ring geeft de temperatuurafhankelijkheid mee. Hoe bepaal je de waarden van de kleuren van de weerstandscode? De waarde, vermenigvuldigingsfactor, tolerantie en temperatuurcoëfficiënt kan je terugvinden in de tabel met weerstand kleurcodering.

Wat blijft gelijk in een parallelschakeling?

In een parallelschakeling zijn er meerdere stroomkring waarover de lading zich verdeelt. Hoe de stroomsterkte zich verdeelt hangt af van de weerstand van de lampjes. Alleen als de lampjes dezelfde weerstand hebben, zal de stroomsterkte door beide lampjes gelijk zijn.