Number Needed To Treat Berekenen

Number Needed To Treat Berekenen
Minerva 2009 Volume 8 Nummer 1 Pagina 12 – 12 Nascholing: EBM begrippen De Number Needed to Treat (NNT) is de uitkomstmaat die het best door niet-ingewijden begrepen wordt. Waarschijnlijk is dit het meest bruikbare argument om het nut van een behandeling aan patiënten uit te leggen ( 1 ). Daarnaast kan kennis van de NNT aansporen tot meer voorzichtigheid bij het nemen van therapeutische beslissingen. De NNT geeft aan hoeveel patiënten we moeten behandelen gedurende een bepaalde periode (de studieduur) om één gunstige uitkomst extra te bereiken of één ongunstige uitkomst extra te voorkomen. De berekening van de NNT gebeurt aan de hand van de absolute risicoreductie ( ARR ) met de formule NNT=(1/ARR)*100 of met gelijkwaardige formules zoals 100/ARR (uitgedrukt in %) of 1/ARR (in verhouding tot 1). Voorbeeld In de 4S-studie ( 2 ) bedraagt de ARR voor overlijden 4%. De NNT = (1/4) x 100 (of 100/4 of 1/0,04) = 25. In het kader van secundaire (angor) of tertiaire preventie (post myocardinfarct) moeten we dus 25 patiënten gedurende 5,4 jaar behandelen met simvastatine omwille van hypercholesterolemie ondanks vetarm dieet, om één extra overlijden te voorkomen. Het relatieve risico (RR) bedraagt 0,70 en de relatieve risicoreductie (RRR) 30%. Wat zijn de valkuilen wanneer we het NNT-concept gebruiken? • Een eerste valkuil is een NNT, berekend op het aantal gebeurtenissen in plaats van op het aantal patiënten met minstens één gebeurtenis van de (primaire) uitkomstmaat. Het optellen van alle gebeurtenissen laat niet toe om te evalueren voor hoeveel patiënten de behandeling werkelijk nuttig is: voor enkele patiënten zal het aantal acute gebeurtenissen (fel) verminderd zijn, maar voor de meeste zal er geen verandering merkbaar zijn. Het meedelen van een NNT op basis van het aantal gebeurtenissen en niet op basis van het aantal patiënten met minstens één gebeurtenis, kan de NNT voor een individuele patiënt vertekenen ( 3 ). Voorbeeld In de UPLIFT-studie ( 4 ) vermindert toediening van tiotropium gedurende vier jaar het aantal exacerbaties bij COPD (secundair eindpunt – voor het primaire eindpunt is er geen verschil). Hypothetisch kunnen we de absolute risicoreductie tussen de twee groepen (tiotropium en placebo) schatten op 12%; dat betekent een NNT van ongeveer 8. Er is echter geen statistisch significant verschil in het aantal patiënten met minstens één exacerbatie (zowel het totale aantal als het aantal dat moet gehospitaliseerd worden). • Andere valkuilen hebben te maken met de interpretatie van de NNT ( 1 ) en vooral met de vergelijking van NNT’s afkomstig uit verschillende studies. Een NNT heeft alleen betrekking op de vergelijking van twee behandelingsopties in het kader van een welbepaalde studie. Deze NNT kan dus niet als absoluut cijfer gebruikt worden voor een vergelijking van deze behandelingen in alle omstandigheden. Verder is de NNT omgekeerd evenredig met het initiële risico van de geïncludeerde patiënten. Naargelang de studie kan dit risico (sterk) variëren. Dit wordt nog belangrijker wanneer co-interventies de kans op bepaalde eindpunten verminderen. In recente studies komen co-interventies vaker voor dan in oudere studies. Een vergelijking van NNT’s is in dit geval niet correct. Ook de studieduur speelt een rol. De NNT van een studie over twee jaar kunnen we moeilijk vergelijken met de NNT van een studie over vijf jaar. Extrapolatie is in dit geval riskant. Voor klinische beslissingen kunnen voor eenzelfde behandeling de verschillende NNT’s voor meerdere criteria (bv. coronaire gebeurtenis en CVA bij antihypertensieve behandeling) gecombineerd worden met de NNH ‘s van deze behandeling. Een mooi voorbeeld hiervan vinden we in een meta-analyse over rhinosinusitis ( 5 ). We kunnen de NNT’s van verschillende studies alleen maar met elkaar vergelijken als exact dezelfde behandeling werd geëvalueerd, met dezelfde comparator en hetzelfde eindpunt, bij patiënten met eenzelfde prognose die gedurende een even lange periode werden opgevolgd ( 1 ). Afhankelijk van het initiële risico van de geïncludeerde patiënten (lager risico dan in de praktijk omdat ze jonger zijn, een betere gezondheid en een betere levensverwachting of minder co-morbiditeit hebben) kan een NNT overschat of onderschat zijn. Voorbeeld Op basis van gegevens uit de controlegroep van de WOSOPS-studie ( 7 ), heeft een Belgische patiënt een lager risico om een coronaire gebeurtenis door te maken dan een patiënt in West-Schotland. Als we ervan uitgaan dat het risico van de Belgische patiënt lager is (3/4?) dan het risico van de controlegroep (de moeilijkheid zit juist in deze inschatting!), dan is de NNT/F = 42/0,75 = 56. Dat betekent dat we 56 patiënten uit onze Belgische praktijk gedurende vijf jaar moeten behandelen met pravastatine, om één coronaire gebeurtenis extra te vermijden. Nogmaals, het gaat hier om een erg onzekere inschatting en het zou juister zijn om de studie in de betrokken regio over te doen. Om de werkelijke winst van een behandeling beter te kunnen inschatten voor een welbepaalde patiënt, stelt Sackett voor gebruik te maken van NNT/F ( 6 ). F is hierbij het quotiënt van het risico van de betrokken patiënt en het risico van de controlegroep in de studie. • Met NNT’s in meta-analyses dienen we voorzichtig te zijn (8,9), Studies kunnen onderling verschillen, o.a. op het vlak van het initiële risico. Wanneer we de resultaten van een meta-analyse willen interpreteren voor een bepaalde persoon, moeten we ook rekening houden met zijn/haar initieel risico.

Wat is een goede NNT?

In de geneesmiddelenleer en de medische statistiek is het Number Needed to Treat, meestal afgekort als NNT, het aantal patiënten die (gedurende een te noemen periode, vaak 1, 5 of 10 jaar) behandeld moeten worden (bijvoorbeeld met een bepaald geneesmiddel) om een bepaalde ongunstige uitkomst te voorkomen.

  • Het NNT is de inverse van de absolute risicoreductie ARR.
  • Als de kans op een bepaalde gebeurtenis in een bepaalde periode zonder behandeling 5% is, en met behandeling in die periode 3%, dan is de ARR = 2% en het NNT 100/2% = 1/0,02 = 50.
  • Om te voorkomen dat niemand baat bij de behandeling heeft, moeten dus 50 mensen in die periode dat middel gebruiken.

Statistisch gezien is dan één gebeurtenis voorkomen. Negenenveertig mensen hebben het gebruikt zonder nut. Van tevoren is echter niet bekend wie er baat bij gaat hebben. Deze manier om de effectiviteit van een middel voor een bepaald probleem te bekijken geeft een realistischer beeld van de effectiviteit van een behandeling dan de relatieve risicoreductie : de fabrikant van het middel zal geneigd zijn de effectiviteit aan te prijzen in termen van “40% minder kans op de ongewenste gebeurtenis” (namelijk 3% in plaats van 5% – drie is 40% kleiner dan 5).

Zijn de kansen 3 en 5 promille, dan is die 40% reductie nog steeds van kracht, maar het “Number Needed to Treat” is dan gestegen tot 500. Dus om 1 geval te voorkomen moeten 499 mensen het die periode voor niets slikken. Een NNT van 20 tot 50 wordt voor een nieuw middel in de huidige westerse geneeskunde meestal als een grote doorbraak gezien.

Bloeddrukverlagende middelen, statines en trombocytenaggregatieremmers hebben effecten in dit bereik bij het voorkomen van beroertes, hartinfarcten en dergelijke.

Hoe bereken je het Risicoverschil?

Het risicoverschil is het verschil tussen het risico op een uitkomst in de blootgestelde groep of de interventiegroep en het risico op die uitkomst in de niet-blootgestelde groep of controlegroep (Ri – Rc).

Hoe bereken je relatieve risico reductie?

Dit is de verhouding van het risicoverschil tussen de interventiegroep en de controlegroep en het risico in de controlegroep. Deze uitkomstmaat geeft de proportionele reductie weer van het risico van een ongunstige uitkomst door de interventie. De RRR wordt berekend als (Ri-Rc) / Rc, ofwel ARR / Rc.

You might be interested:  Terugverdientijd Hybride Warmtepomp Berekenen

Hoe bereken je de relatieve risico?

Tekst onder de verantwoordelijkheid van de Nederlandstalige redactie In de case-control studie over het effect van een acellulair kinkhoestvaccin (dTpa) drukt men de doeltreffendheid van het vaccin uit in (1 – Odds ratio (OR) van kinkhoest bij gevaccineerde versus bij niet-gevaccineerde patiënten) *100%. Zo kwam men tot een doeltreffendheid van 53% (95% BI van 42% tot 62%) op basis van een OR van 0,47 (95% BI van 0,38 tot 0,58) ( 1,2 ). Men neemt hierbij een klassieke formule over van gerandomiseerde studies waarbij de doeltreffendheid berekend wordt op basis van een 1) of kleiner (RR 1) of kleiner (RR relatief risico (=(1 – RR)*100%). Om deze uitkomst juist te kunnen interpreteren is het van belang om een goed inzicht te hebben in de begrippen relatief risico (RR) en odds ratio (OR), maar tevens het verschil in opzet te kennen tussen een RCT en een case-control studie. Een relatief risico is een ratio van het risico (=Ri/Rc) op de uitkomst in één groep (waar een bepaalde interventie wordt toegepast=Ri) ten opzichte van dit risico in een andere groep (waar deze interventie niet wordt toegepast, m.a.w. de controlegroep=Rc). Op zijn beurt is elk risico (Ri of Rc) de ratio van het aantal deelnemers met de uitkomst tegenover het totale aantal deelnemers in respectievelijk de interventie- en de controlegroep ( zie figuur ). De deelnemers van een RCT worden willekeurig uit een grotere populatie gekozen en ad random toegewezen aan de interventie- en de controlegroep. Het gemeten risico in de controlegroep komt daarom overeen met het werkelijke risico in de populatie waaruit de studiegroepen gekozen zijn. Naast een relatief risico kan er met de resultaten van een RCT ook een odds ratio berekend worden. Het betreft dan de ratio van de odds in de interventiegroep ten opzichte van de odds in de controlegroep (Oi/Oc). Op zijn beurt is iedere odds opnieuw een ratio van de uitkomst tegen de afwezigheid van de uitkomst in respectievelijk de interventie- (Oi) en de controlegroep (Oc) ( zie figuur ). Als het risico 1 op 4 (25%) is, dan is de overeenstemmende odds 1 tegen 3 (33%). Als het risico daarentegen 1 op 20 (5,0%) is, dan is de odds 1 tegen 19 (5,3%). Vandaar dat de odds ratio als benadering van het relatief risico alleen mag gebruikt worden wanneer het risico op de uitkomst klein is (<10%) ( 3 ). Een relatief risico (RR) is informatiever dan een odds ratio en staat hoger aangeschreven als uitkomstparameter. In tegenstelling tot een OR kan men met de gegevens van een 1) of kleiner (RR 1) of kleiner (RR RR ook de absolute risico's, het absolute risicoverschil en de number needed to treat (NNT) berekenen. Het is echter niet altijd mogelijk om een RR te berekenen. In een case-control studie kijkt men retrospectief vanuit een groep van cases (iedereen met de uitkomst) naar het effect van een parameter of interventie in vergelijking met een groep van controles (waar de uitkomst niet voorkomt). Omdat we het werkelijke risico van de uitkomst (=cases) in de populatie niet (artificieel verhoogd) kennen, kunnen we dus enkel een OR berekenen ( 4,5 ). In cohortstudies waarbij prospectief of retrospectief 2 groepen vergeleken worden, kan enkel een RR berekend worden indien niet gecorrigeerd is voor de verschillen in basiskarakteristieken. Door het gebrek aan randomisatie moet bij een cohortstudie echter altijd voor deze verschillen gecorrigeerd worden. Uit de regressievergelijkingen die men hiervoor gebruikt (ongeacht of het over een RCT, cohortstudie of case-control studie gaat), kan men enkel OR's berekenen, die volledigheidshalve adjusted OR's worden genoemd (adjusted RR's bestaan dus niet). OR's zijn evenmin om te rekenen naar RR's. De incidentie van kinkhoest in de Verenigde Staten bleek in 2012 slechts 15,4/100 000 gevallen te bedragen. Omwille van deze lage incidentie opteerde men voor een case-control studie ( 1,2 ). Een echte RCT zou immers teveel deelnemers over een te lange periode moeten opvolgen, wat praktisch onmogelijk/onbetaalbaar is. Door deze lage incidentie is de berekende adjusted OR een goede maat voor een RR en is de berekende doeltreffendheid (op basis van deze adjusted OR) betrouwbaar voor zoverre er gecorrigeerd werd voor de juiste confounders.

Wat is het Attributief risico?

Op basis van cohortonderzoek kan het attributief risico (AR) worden bepaald. Dit is het risicoverschil tussen de door het werk blootgestelden en niet-blootgestelden. Als beide groepen verder volledig vergelijkbaar zijn, komt het extra risico voor de rekening van het werk.

Wat zegt het relatieve risico?

Resultaat met woordenlijst ( 16 ) – relatief risico Het relatieve risico is het quotiënt van twee absolute risico’s. In een cohortonderzoek is dit relatieve risico een schatting van het aantal keren dat de kans om ziek te worden bij blootstelling aan een bepaalde risicofactor groter (RR>1) of kleiner (RR 1) of kleiner (RR<1) is dan in de controlegroep. RR heeft geen dimensie. Bij het RR kan een 95%-betrouwbaarheidsinterval worden berekend. RR Aantal resultaten : 16 artikel(s) - 7 bondige bespreking(en) Deze methodologisch correct uitgevoerde open-label RCT bij een geselecteerde groep Amerikaanse zwangere vrouwen in het eerste trimester met een nieuwe of bestaande diagnose van hypertensie (al dan niet behandeld met antihypertensiva) toont aan dat behandelen van milde chronische hypertensie met een streefwaarde van 160/105 mmHg, resulteert in betere zwangerschapsuitkomsten, zonder negatieve invloed op de foetale groei. Op basis van deze systematische review kunnen we besluiten dat zowel een multifactoriële interventie als een oefenprogramma een preventief effect hebben bij ouderen met een verhoogd valrisico. Het bewijs bleek meest consistent te zijn voor oefenprogramma's. Met vitamine D-suppletie kon geen gunstig effect op vallen aangetoond worden bij ouderen zonder osteoporose of vitamine D-deficiëntie. Uit deze zeer goed uitgevoerde systematische review en meta-analyse kunnen we besluiten dat zowel terbinafine als azoolderivaten doeltreffender zijn dan placebo voor zowel de klinische als de mycologische genezing van onychomycosen zonder verschil in ongewenste effecten. In de directe vergelijking tussen terbinafine en azoolderivaten was terbinafine doeltreffender dan azoolderivaten zonder verschil in ongewenste effecten. Ondanks behandeling werd maar bij ruim de helft van de patiënten mycologische genezing en bij minder dan de helft van de patiënten klinische genezing vastgesteld. De follow-up van de PIVOT-studie bevestigt de vroegere besluiten. Bij mannen jonger dan 75 jaar met laag-risico-gelokaliseerde prostaatkanker resulteert radicale prostatectomie niet in een significante daling van de globale mortaliteit of van de prostaatkankerspecifieke mortaliteit. Radicale prostatectomie veroorzaakt wel meer urinaire incontinentie en seksuele problemen. Deze systematische review en meta-analyse van goede methodologische kwaliteit toont aan dat er bij patiënten met acute of stabiele pijn op de borst en vermoeden van coronairlijden, na 18 maanden geen verschil is tussen coronaire CT-angiografie en inspanningstest op het vlak van globale mortaliteit en hospitalisatie wegens een cardiale gebeurtenis. Bij coronaire CT-angiografie daalt de incidentie van myocardinfarct, neemt het aantal coronarografieën en coronaire revascularisaties toe en wordt vaker een medische behandeling met statines of aspirine opgestart. Deze systematische review toont het nut aan van een profylactische antibioticumbehandeling (vooral penicilline V aan een geringe dosis van 2 x 400 000 IE per dag) gedurende hoogstens 18 maanden voor de preventie van recidiverende cellulitis van de onderste ledematen bij volwassenen met minstens 2 episodes van recidiverende cellulitis. Het voordeel verdwijnt bij de stopzetting van de preventieve behandeling. Verder onderzoek is nodig in studies in de ambulante praktijk, met een langere interventieduur en met specifieke aandacht voor antibioticaresistentie. Deze systematische review toont aan dat het aanbrengen van hydraterende crèmes effectief is voor de behandeling van atopisch eczeem, zowel in monotherapie als in combinatie met actieve topische behandelingen. Deze systematische review is van goede methodologische kwaliteit en toont aan dat buprenorfine nuttig kan zijn bij de behandeling van opioïdenafhankelijkheid. Het effect van buprenorfine is waarschijnlijk hetzelfde als het effect van een geleidelijk afgebouwde dosis methadon (geen bewijs van verschil), maar groter dan het effect van clonidine. Deze systematische review van goede methodologische kwaliteit groepeert de resultaten van RCT's en observationele onderzoeken over de veiligheid van calciuminname (via de voeding en via supplementen). Bij de aanbevolen tolereerbare bovenste grens van 2 000 tot 2 500 mg per dag is er geen verband vastgesteld tussen calciuminname en een verhoogd risico van cardiovasculair lijden bij volwassenen met een over het algemeen goede gezondheid. Deze analyse brengt argumenten aan voor LDL-cholesterol als cardiovasculaire risicofactor met een gelijkaardig effect voor de verschillende cholesterolverlagende behandelingen (statines, CETP-inhibitoren, fibraten, PCSK9-inhibitoren). Vanuit fysiopathologisch standpunt zijn deze bevindingen dus interessant. We moeten er wel op wijzen dat dit soort van meta-analyses geen rekening houdt met behandelingsmodaliteiten (onder andere dosis en duur) en met ongewenste effecten. Om deze therapeutische aanpak toe te passen in de praktijk zou het, op basis van de resultaten van de hier besproken meta-regressie-analyse, nuttig kunnen zijn om pragmatische studies op te zetten die de gebruikelijke zorg vergelijken met aangepaste behandelingen die een precieze LDL-cholesterolvermindering nastreven. Deze systematische review van matige methodologische kwaliteit toont aan dat de evidentie over de klinische werkzaamheid en veiligheid van denosumab bij postmenopauzale vrouwen met osteoporose beperkt is. Slechts één RCT kon ten opzichte van placebo een significante daling aantonen van het fractuurrisico, vooral van wervelfracturen. Verder kon met een meta-analyse een verhoogde incidentie van infecties (voornamelijk urinaire) en eczeem worden vastgesteld. Deze meta-analyse van goede methodologische kwaliteit en met talrijke studies bevestigt dat sumatriptan in vergelijking met placebo effectief is voor de behandeling van een migraineaanval bij volwassenen. De superioriteit ten opzichte van andere actieve medicamenteuze interventies (met inbegrip van andere triptanen) is niet duidelijk aangetoond. Rizatriptan oraal 10 mg (niet terugbetaald in België) blijkt nog effectiever te zijn dan de verschillende doseringen van sumatriptan oraal. Deze studie besluit dat sommige atypische antipsychotica t.o.v. placebo een statistisch significante werkzaamheid vertonen voor dementiegerelateerde gedragsstoornissen (aripiprazol, olazapine en risperidon), gegeneraliseerde angststoornis (quetiapine) en OCD (risperidon). De klinische relevantie van deze werkzaamheid is echter onzeker en bovendien is er geen bewijs dat deze middelen doeltreffender zijn dan andere medicamenteuze en niet-medicamenteuze behandelingen. De baten van atypische antipsychotica dienen bovendien steeds afgewogen te worden tegen de potentiële risico's. De resultaten van deze systematische review tonen geen voordeel aan van kortwerkende bèta-2-mimetica (meestal via orale weg en in zeldzame gevallen via inhalatie) voor de behandeling van acute bronchitis bij volwassenen en kinderen maar kunnen ook het tegenovergestelde niet bewijzen. Ook deze studie kan een gunstig globaal effect van verminderde zoutconsumptie op cardiovasculaire eindpunten en totale sterfte niet uitsluiten. Het advies van zoutrestrictie voor mensen met hoge bloeddruk blijft van kracht. De resultaten van deze meta-analyse tonen aan dat benzodiazepines bij de ontwenning van alcohol effectief zijn om het risico van convulsies te verminderen. In deze meta-analyse kunnen we geen bewijs vinden dat het ene geneesmiddel (of een combinatie van geneesmiddelen) beter is dan het andere. Deze meta-analyse van niet-recente studies toont aan dat een combinatie van antihypertensiva (thiaziden, bèta-blokkers, calciumantagonisten en ACE-inhibitoren) meer bloeddrukverlaging geeft dan een dosisverdubbeling van één van deze middelen bij patiënten zonder cardiovasculaire co-morbiditeit, maar met blijvende hypertensie onder monotherapie. Omwille van methodologische beperkingen zijn de resultaten van deze meta-analyse echter minder betrouwbaar. Deze studie toont aan dat bij schijnbaar gezonde personen (40% metabool syndroom, 20% familiale antecedenten, 16% rokers en 50% met een Framinghamscore >10) zonder hyperlipidemie maar met een verhoogd hooggevoelig CRP, rosuvastatine de incidentie van CVA met de helft verlaagt. De omvang en de betrouwbaarheid van het voordeel kan men echter in vraag stellen. Tien jaar na het stopzetten van de UKPDS-studie, die het belang onderzocht van een intensieve behandeling van type 2-diabetes (streefwaarde van nuchtere glykemie <110 mg/dl) versus een conventionele behandeling, toont deze observationele studie een blijvend gunstig effect aan op het aantal microvasculaire gebeurtenissen en een gunstig effect op lange termijn (tien jaar na het beëindigen van de RCT) op de incidentie van myocardinfarct en totale mortaliteit. Deze observationele studie toont aan dat het gunstige cardiovasculaire effect van een intensieve bloeddrukcontrole versus een conventionele controle verdwenen is 8,6 jaar na het stopzetten van de RCT. Rekening houdende met de resultaten van de Steno-2-studie kunnen we besluiten dat alleen een volgehouden, goede bloeddrukcontrole cardiovasculaire winst zal opleveren op langere termijn. De BAFTA-studie toont aan dat warfarine met een streef-INR van 2,5 (tussen 2 en 3) effectiever is dan 75 mg aspirine, ook bij personen van minstens 75 jaar met VKF zonder contra-indicaties voor orale antistolling.

Waarom odds ratio?

Interpretatie van de OR – Odds ratios geven simpelweg een relatie weer tussen twee wedverhoudingen. Je zou dit bijvoorbeeld kunnen gebruiken om te weten hoe veel hoger de wedverhouding van gokwebsite A ligt ten opzichte van die van website B. Op gokwebsite A geeft men 4 euro voor 1 euro als een bepaalde club de voetbalwedstrijd wint. Op gokwebsite B geeft men 8 euro voor 1 euro als diezelfde club de voetbalwedstrijd wint. De ratio bij gokwebsite A is dus 4:1 en bij website B is deze 8:1. De onderlinge verhouding tussen de twee websites is dus 4:8 of 1:2. Dat betekent dat je bij gokwebsite B dubbel zo veel krijgt voor je ingezette geld als bij gokwebsite A als je club wint. De betekenis van OR ligt alleen voor de hand als we deze toepassen op eenzelfde soort data. In bovenstaand voorbeeld kan je inderdaad een odds ratio berekenen, maar het is relatief moeilijk om hier een fysieke interpretatie voor te vinden. De eerste ratio gaat immers over de verhouding vrouwen – hoofdpijn, de tweede verhouding immers over mannen – hoofdpijn. In de volgende paragraaf gaan we toch een fysieke interpretatie voor deze data uitwerken. Analoog aan het voorbeeld met de goksites kunnen we nu weer spreken over twee opties. Optie 1 zijn de vrouwen met hoofdpijn en de mannen zonder hoofdpijn, optie 2 zijn de vrouwen zonder hoofdpijn en de mannen met hoofdpijn. We kunnen nu omdat de wedverhouding > 1 (deze is namelijk 36 of 36:1) zeggen dat de wedverhouding rolt in het voordeel van optie 1, dus vrouwen met hoofdpijn en mannen zonder hoofdpijn (in het voorbeeld met de goksites was de wedverhouding < 1 en rolde het dus in het voordeel van optie 2 waar de odd ratio 0,5 of 1:2 was). Het vertelt dus hoe vaak vrouwen die hoofdpijn en mannen die geen hoofdpijn hebben, voorkomen tegenover vrouwen die geen hoofdpijn hebben en mannen die wel hoofdpijn hebben (procentueel gezien). Gezien het aantal deelnemers gelijk is bij mannen en vrouwen in dit voorbeeld klopt vorig statement ook globaal gezien.

You might be interested:  Ouderschapsverlof 2022 Berekenen

Welke Associatiematen zijn er?

Interpreteren Bij het interpreteren van de associatiematen kun je de volgende grove richtlijnen gebruiken: 0 – 0,10: Zeer zwak/geen verband 0,11 – 0,30: Zwak verband 0,31 – 0,50: Redelijk verband 0,51 – 0,80: Sterk verband 0,81 – 0,99: Zeer sterk verband 1: Perfect verband Vanaf ordinaal meetniveau is het ook van

Hoe bereken je de relatieve?

Methode –

  • In een frequentietabel wordt per waarnemingsgetal aangegeven hoe vaak deze voorkomt in de reeks.
  • Een voorbeeld van een frequentietabel is:
  • $$\newcommand\T } \begin \mbox & 0 & 1 & 2 & 3 & 4 \T \\\hline \mbox \T & 5 & 2 & 9 & 7 & 2\end $$
  • Absolute en relatieve frequentie

De cijfers bovenaan zijn de waarnemingsgetallen. Daaronder staat hoe vaak elk specifiek waarnemingsgetal voorkomt in de reeks. Dit is de absolute frequentie, In het voorbeeld hierboven is de absolute frequentie van het waarnemingsgetal 0 gelijk aan 5. Om de totale frequentie te berekenen tel je alle frequenties bij elkaar op.

  1. In formule ziet dit er als volgt uit:
  2. $$\mbox = \frac } } · 100$$
  3. De relatieve frequentie van het waarnemingsgetal 3 is hier:
  4. $$\frac · 100 = 28$$ De relatieve frequentie van het waarnemingsgetal 3 is dus 28%.
  5. Gemiddelde van een frequentietabel

Je kunt het gemiddelde van een reeks uitrekenen met behulp van de frequentietabel. Je vermenigvuldigt dan elke absolute frequenties met het waarnemingsgetal waar het bij hoort. Je telt al deze getallen bij elkaar op, en dit deel je door de totale frequentie. In formule ziet dit er als volgt uit: $$\mbox = \frac } }$$ : Slimleren.nl

Wat betekent relative risk?

Een woordje uitleg – Het risico op een gebeurtenis drukken we uit met een teller en een noemer. Zo is het risico om te sterven in een auto-ongeval 1 als teller op 6.700 auto’s als noemer (1/6.700), in een vliegtuig 1/100.000 vlieguren, en bij basejumping 1/60 sprongen.

  • In de groep VEG zijn er 5 overlijdens op 50, in de groep VLEES zijn er 10 overlijdens op 50. Het relatief risico (RR) op overlijden is:
  • RR= risico op overlijden in groep VEG / risico op overlijden in groep VLEES= (5/50) / (10/50)
  • = 0,50
  • Dit betekent dat het risico op overlijden in de groep VEG 50% lager ligt in vergelijking met de groep VLEES.

Figuur 1. Risico op overlijden tussen vegetariërs (VEG) en vleeseters (VLEES) (RR = 0,50).

  1. Voorbeeld 2
  2. Als tweede voorbeeld volgen we een groep obese personen (OB) en een groep niet-obese personen (NOB) gedurende 20 jaar en registreren we de sterfte.
  3. In de groep OB zijn er 10 overlijdens op 50, in de groep NOB zijn er 5 overlijdens op 50. Het relatief risico (RR) op overlijden is:
  4. RR= risico op overlijden in groep OB / risico op overlijden in groep NOB= (10/50) / (5/50)
  5. = 2,00

Dit betekent dat het risico op overlijden in de groep OB 100% hoger ligt in vergelijking met de groep NOB, m.a.w. er is een verdubbeling van het risico in de groep obese personen (OB). Figuur 2. Risico op overlijden tussen obese personen (OB) en niet-obese personen (NOB) (RR = 2,00).

  • Voorbeeld 3
  • Als derde voorbeeld volgen we een groep mannen (MAN) en een groep vrouwen (VROUW) gedurende 20 jaar en registreren de sterfte.
  • In de groep MAN zijn er 5 overlijdens op 50, in de groep VROUW zijn er 5 overlijdens op 50. Het relatief risico (RR) op overlijden is:
  • RR= risico op overlijden in groep MAN / risico op overlijden in groep VROUW= (5/50) / (5/50)
  • = 1,00
  • Dit betekent dat er geen verschil is in risico op overlijden tussen de groep MAN en de groep VROUW.

Figuur 3. Risico op overlijden tussen mannen (MAN) en vrouwen (VROUW) (RR = 1,00). CONCLUSIE

  • een relatief risico kleiner dan 1 betekent een lager risico: bijv. RR = 0,50.
  • een relatief risico gelijk aan 1 betekent geen verschil: RR = 1,00.
  • een relatief risico groter dan 1 betekent een stijging van het risico: bijv. RR = 2,00.

Een voorbeeld uit de praktijk om deze relatieve risico’s te illustreren: onderzoekers stelden een relatief risico vast van 1,12 darmkanker bij mensen die veel vlees eten in vergelijking met mensen die weinig vlees eten (1). Dit betekent dat het risico op darmkanker 12% hoger ligt bij grote vleesconsumptie.

Wat is de betekenis van prevalentie?

Waar blijft die nieuwe collectie? · Gezondheid en wetenschap Je staat in een kledingwinkel en je vindt maar niet wat je zoekt. Gelukkig komt de nieuwe collectie volgende week binnen! Hoe maken wetenschappers het onderscheid tussen een bestaande collectie en een nieuwe collectie? Incidentie en prevalentie kunnen hierbij helpen. Maar de griepepidemie slaat toe: elke dag valt er iemand ziek. De prevalentie is de verhouding van het aantal personen dat op een bepaald moment ziek is, gedeeld door alle personen die de aandoening hadden kunnen ontwikkelen. De griepprevalentie in het gezin was op dag 2 gelijk aan 2/6 en op dag 5 gelijk aan 5/6.

  • De incidentie is het aantal nieuwe gevallen dat er bijkomt per tijdseenheid.
  • De griepincidentie in het gezin was op dag 2 gelijk aan 1/dag en op dag 5 gelijk aan 1/dag.
  • Wat is het verschil tussen prevalentie en incidentie? De prevalentie geeft aan hoeveel gevallen er zijn op een bepaald tijdstip, en de incidentie geeft de snelheid weer waarmee de ziekte zich zal ontwikkelen.

De prevalentie is belangrijk om bijv. te weten hoeveel geneesmiddelen je moet voorzien, en de incidentie geeft aan of de epidemie snel of traag evolueert. Wat als de ziekte geneest na twee dagen?

De eerste dag valt één persoon ziek: de prevalentie is 1/6 en de incidentie is 1/dag.De tweede dag valt weer een persoon ziek: de prevalentie wordt 2/6 en de incidentie blijft 1/dag.De derde dag valt weer een persoon ziek, maar de eerste geneest: de prevalentie blijft 2/6 en de incidentie blijft 1/dag.

Een snelle genezing doet de prevalentie dalen, maar heeft geen invloed op de incidentie. Een zeer besmettelijke ziekte die lang duurt, doet zowel de prevalentie als de incidentie snel stijgen : Waar blijft die nieuwe collectie? · Gezondheid en wetenschap

Wat is populatie Attributief risico?

Populatie attributief risico – Het populatie attributief risico ( PAR Populatie attributief risico. Maat voor de hoeveelheid gezondheidsverlies in een populatie die is toe te schrijven aan een risicofactor: het percentage van het gezondheidsprobleem in de totale populatie dat kan worden voorkomen door volledige uitschakeling van de risicofactor.

Het is hiermee een (Populatie attributief risico. Maat voor de hoeveelheid gezondheidsverlies in een populatie die is toe te schrijven aan een risicofactor: het percentage van het gezondheidsprobleem in de totale populatie dat kan worden voorkomen door volledige uitschakeling van de risicofactor. Het is hiermee een) ) geeft het percentage van een gezondheidsprobleem in de totale populatie dat kan worden voorkomen door volledige uitschakeling van de risicofactor.

Uitgangspunt is dat de hoeveelheid gezondheidsverlies in een populatie die is toe te schrijven aan een determinant niet alleen afhangt van de sterkte van het verband (RR), maar ook van de frequentie waarmee de determinant in de populatie voorkomt. Risicofactoren met een hoog relatief risico (RR) kunnen op populatieniveau toch weinig gezondheidsverlies met zich meebrengen als weinig mensen aan de risicofactor zijn blootgesteld (laag PAR).

Wat zijn absolute en relatieve gegevens?

Absoluut of relatief – In ons dagelijks leven en in ons werk hebben we te maken met absolute en relatieve waardes. Soms heeft het één meer betekenis en dan weer het ander. Het maakt verschil vanuit welke positie en met welk perspectief je het benadrukt.

Je kunt er uiteenlopende boodschappen mee communiceren. Absolute cijfers zijn soms bepalend, maar zeggen niet alles. Relativeren daarentegen, betekent dat je iets bekijkt in verhouding tot iets anders. Dat betekent dat we steeds vergelijken. We vergelijken onze resultaten met die op eerdere momenten. We vergelijken bepaalde omstandigheden met andere situaties.

We vergelijken het functioneren van onszelf met dat van collega’s. We vergelijken het beleid van verschillende landen met elkaar en we vergelijken de sterfte aan een ziekte met dat bij andere ziektes en ook met overige doodsoorzaken zoals verkeersongelukken.

You might be interested:  Kosten Koper Berekenen 2016

Wat is relatieve en absolute?

Marxistisch Woordenboek: Absoluut en relatief Absoluut en relatief zijn filosofische termen betreffende de wederzijdse afhankelijkheid van dingen, processen en kennis. Absoluut betekent onafhankelijk, permanent en niet onderworpen aan een kwalificatie.

Relatief betekent een gedeeltelijke of van voorbijgaande aard, afhankelijk van de omstandigheden of een perspectief. In de is het absolute de gehele beweging door middel van verschillende relatieve stadia van begrip, maar de vooruitgang van de kennis komt nooit tot een einde. Dus: het absolute is relatief.

Toch kan zelfs een relatieve waarheid een deel bevatten van het absolute. Er is dus een absoluutheid in het relatieve. Perceptie is relatief ten opzichte van de waarnemer, maar het bestaan van een objectieve wereld is absoluut. Hegel gebruikte de verschillende definities van het absolute om te laten zien, dat het absolute in de feiten relatief is in de ontwikkeling van het Absolute Idee,

Wat zegt een risk ratio?

Relatief risico – Het relatieve risico (RR), ook wel risk ratio genoemd, is een bekende associatiemaat voor variabelen met twee uitkomstcategorieën. De maat drukt de sterkte uit van het verband tussen een determinant en een uitkomst. De waarden van het RR liggen tussen 0 (maximale negatieve associatie) en +oneindig (maximale positieve associatie), terwijl bij het ontbreken van associatie het RR gelijk is aan 1.

wel sterfte geen sterfte totaal
statine 182 (a) 2039 (b) 2221 (a+b)
placebo 256 (c) 1967 (d) 2223 (c+d)

Het RR wordt berekend door: (a/(a+b)) / (c/(c+d)) = (182/2221) / (256/2223) = 0.71 Men deelt dus de kans op het optreden van sterfte in de behandelgroep door de kans op het optreden van sterfte in de placebogroep. Anders geformuleerd; het RR drukt de verhouding uit tussen de sterfte incidentie onder patiënten die wel of niet behandeld zijn.

Wat zegt NNT?

Minerva 2009 Volume 8 Nummer 1 Pagina 12 – 12 Nascholing: EBM begrippen De Number Needed to Treat (NNT) is de uitkomstmaat die het best door niet-ingewijden begrepen wordt. Waarschijnlijk is dit het meest bruikbare argument om het nut van een behandeling aan patiënten uit te leggen ( 1 ). Daarnaast kan kennis van de NNT aansporen tot meer voorzichtigheid bij het nemen van therapeutische beslissingen. De NNT geeft aan hoeveel patiënten we moeten behandelen gedurende een bepaalde periode (de studieduur) om één gunstige uitkomst extra te bereiken of één ongunstige uitkomst extra te voorkomen. De berekening van de NNT gebeurt aan de hand van de absolute risicoreductie ( ARR ) met de formule NNT=(1/ARR)*100 of met gelijkwaardige formules zoals 100/ARR (uitgedrukt in %) of 1/ARR (in verhouding tot 1). Voorbeeld In de 4S-studie ( 2 ) bedraagt de ARR voor overlijden 4%. De NNT = (1/4) x 100 (of 100/4 of 1/0,04) = 25. In het kader van secundaire (angor) of tertiaire preventie (post myocardinfarct) moeten we dus 25 patiënten gedurende 5,4 jaar behandelen met simvastatine omwille van hypercholesterolemie ondanks vetarm dieet, om één extra overlijden te voorkomen. Het relatieve risico (RR) bedraagt 0,70 en de relatieve risicoreductie (RRR) 30%. Wat zijn de valkuilen wanneer we het NNT-concept gebruiken? • Een eerste valkuil is een NNT, berekend op het aantal gebeurtenissen in plaats van op het aantal patiënten met minstens één gebeurtenis van de (primaire) uitkomstmaat. Het optellen van alle gebeurtenissen laat niet toe om te evalueren voor hoeveel patiënten de behandeling werkelijk nuttig is: voor enkele patiënten zal het aantal acute gebeurtenissen (fel) verminderd zijn, maar voor de meeste zal er geen verandering merkbaar zijn. Het meedelen van een NNT op basis van het aantal gebeurtenissen en niet op basis van het aantal patiënten met minstens één gebeurtenis, kan de NNT voor een individuele patiënt vertekenen ( 3 ). Voorbeeld In de UPLIFT-studie ( 4 ) vermindert toediening van tiotropium gedurende vier jaar het aantal exacerbaties bij COPD (secundair eindpunt – voor het primaire eindpunt is er geen verschil). Hypothetisch kunnen we de absolute risicoreductie tussen de twee groepen (tiotropium en placebo) schatten op 12%; dat betekent een NNT van ongeveer 8. Er is echter geen statistisch significant verschil in het aantal patiënten met minstens één exacerbatie (zowel het totale aantal als het aantal dat moet gehospitaliseerd worden). • Andere valkuilen hebben te maken met de interpretatie van de NNT ( 1 ) en vooral met de vergelijking van NNT’s afkomstig uit verschillende studies. Een NNT heeft alleen betrekking op de vergelijking van twee behandelingsopties in het kader van een welbepaalde studie. Deze NNT kan dus niet als absoluut cijfer gebruikt worden voor een vergelijking van deze behandelingen in alle omstandigheden. Verder is de NNT omgekeerd evenredig met het initiële risico van de geïncludeerde patiënten. Naargelang de studie kan dit risico (sterk) variëren. Dit wordt nog belangrijker wanneer co-interventies de kans op bepaalde eindpunten verminderen. In recente studies komen co-interventies vaker voor dan in oudere studies. Een vergelijking van NNT’s is in dit geval niet correct. Ook de studieduur speelt een rol. De NNT van een studie over twee jaar kunnen we moeilijk vergelijken met de NNT van een studie over vijf jaar. Extrapolatie is in dit geval riskant. Voor klinische beslissingen kunnen voor eenzelfde behandeling de verschillende NNT’s voor meerdere criteria (bv. coronaire gebeurtenis en CVA bij antihypertensieve behandeling) gecombineerd worden met de NNH ‘s van deze behandeling. Een mooi voorbeeld hiervan vinden we in een meta-analyse over rhinosinusitis ( 5 ). We kunnen de NNT’s van verschillende studies alleen maar met elkaar vergelijken als exact dezelfde behandeling werd geëvalueerd, met dezelfde comparator en hetzelfde eindpunt, bij patiënten met eenzelfde prognose die gedurende een even lange periode werden opgevolgd ( 1 ). Afhankelijk van het initiële risico van de geïncludeerde patiënten (lager risico dan in de praktijk omdat ze jonger zijn, een betere gezondheid en een betere levensverwachting of minder co-morbiditeit hebben) kan een NNT overschat of onderschat zijn. Voorbeeld Op basis van gegevens uit de controlegroep van de WOSOPS-studie ( 7 ), heeft een Belgische patiënt een lager risico om een coronaire gebeurtenis door te maken dan een patiënt in West-Schotland. Als we ervan uitgaan dat het risico van de Belgische patiënt lager is (3/4?) dan het risico van de controlegroep (de moeilijkheid zit juist in deze inschatting!), dan is de NNT/F = 42/0,75 = 56. Dat betekent dat we 56 patiënten uit onze Belgische praktijk gedurende vijf jaar moeten behandelen met pravastatine, om één coronaire gebeurtenis extra te vermijden. Nogmaals, het gaat hier om een erg onzekere inschatting en het zou juister zijn om de studie in de betrokken regio over te doen. Om de werkelijke winst van een behandeling beter te kunnen inschatten voor een welbepaalde patiënt, stelt Sackett voor gebruik te maken van NNT/F ( 6 ). F is hierbij het quotiënt van het risico van de betrokken patiënt en het risico van de controlegroep in de studie. • Met NNT’s in meta-analyses dienen we voorzichtig te zijn (8,9), Studies kunnen onderling verschillen, o.a. op het vlak van het initiële risico. Wanneer we de resultaten van een meta-analyse willen interpreteren voor een bepaalde persoon, moeten we ook rekening houden met zijn/haar initieel risico.

Wat betekent NNT?

« Terug naar Woordenlijst Index Het ‘number-needed-to-treat’ (NNT) is een maat die wordt gebruikt om de doeltreffendheid te beschrijven van een interventie, zoals behandeling met een geneesmiddel. Het NNT is het aantal deelnemers dat moet worden behandeld opdat één persoon herstelt, een afname van de In de geneeskunde is een symptoom doorgaans een subjectieve beleving van een ziekte,(.) ” href=”https://toolbox.eupati.eu/glossary/symptoom/?lang=nl” data-gt-translate-attributes=””>symptomen vertoont of welke uitkomst er ook in het onderzoek wordt gemeten. Een ‘perfect’ resultaat zou zijn dat iedere patiënt een goede uitkomst vertoont; dit zou dan een NNT van 1 opleveren. Een groot NNT houdt in dat de behandeling alleen effectief is bij een klein aantal mensen: een NNT van 100 houdt in dat van de 100 behandelde mensen slecht 1 een gunstige uitkomst vertoont. Eén Voordeel is een positieve uitkomst (zoals verlichting van symptomen, genezing of(.) ” href=”https://toolbox.eupati.eu/glossary/voordeel/?lang=nl” data-gt-translate-attributes=””>voordeel van NNT’s is dat ze gemakkelijk kunnen worden vergeleken voor verschillende geneesmiddelen of interventies. « Terug naar Woordenlijst Index