Positief Voorspellende Waarde Berekenen

Positief Voorspellende Waarde Berekenen
Prevalentie, PPV en NPV – De positief-voorspellende waarde (PPV) is de kans op ziek zijn bij een positieve testuitslag. Dit kan worden berekend door het aantal terecht positieven (A) te delen door het totaalaantal positieve testuitslagen (G). De negatief-voorspellende waarde (NPV) is de kans op niet-ziek zijn bij een negatieve testuitslag.

  • Dit kan worden berekend door het aantal terecht negatieven (F) te delen door het totaalaantal negatieve testuitslagen (H).
  • De prevalentie is het totaalaantal zieke personen (E) gedeeld door de totale populatie (I).
  • Prevalentie kijkt naar bestaande gevallen, terwijl incidentie naar nieuwe gevallen kijkt.

De prevalentie- en de incidentiematen staan in onderling verband via de duur van een ziekte. Bij toenemende prevalentie zal de PPV van de test toenemen. Aangezien de PPV berekend wordt in een hele groep is deze afhankelijk van de prevalentie. Wanneer de ziekte vaker voorkomt, zal de kans dat de patiënt de ziekte heeft toenemen.

Wat is de negatief voorspellende waarde?

Een negatief voorspellende waarde (NVW) is het deel van de onderzochte deelnemer met een negatieve testuitslag dat ook daadwerkelijk de ziekte niet heeft. De indicator geeft informatie over de effectiviteit van de uitvoering van het programma.

Hoe bereken je de sensitiviteit?

Tests: sensitiviteit en specificiteit Ouders van jonge kinderen gebruiken liever een oorthermometer dan een rectale thermometer om de temperatuur op te nemen. In de medische literatuur is er echter nogal wat discussie over de betrouwbaarheid van oorthermometers.

De ‘sensitiviteit’ zou niet goed zijn. Hoe zat het ook alweer met de sensitiviteit en specificiteit van tests? Als een patiënt op het spreekuur komt, weet de huisarts meestal niet direct wat er aan de hand is. Hij probeert tot een diagnose te komen door anamnese en lichamelijk onderzoek. Daartoe doet hij ook tests.

In feite is elk onderdeel van het lichamelijk onderzoek te beschouwen als een test, een ‘meetinstrument’ met specifieke testeigenschappen. De termen ‘sensitiviteit’ en ‘specificiteit’ geven aan hoe goed een test in staat is te meten wat deze moet meten.

  • Voor het beschrijven van testeigenschappen is de zogenaamde vierveldentabel een populair hulpmiddel,
  • De gebruikte test moet bij mensen die de aandoening hebben zoveel mogelijk een positieve uitslag geven (= sensitiviteit, A/(A+C)).
  • Daarnaast moet de test een negatieve uitslag geven wanneer de patiënt de aandoening niet heeft (= specificiteit D/(B+D)).

Het zou het mooist zijn als elke test een sensitiviteit en specificiteit van 100% heeft. Helaas is dat meestal niet zo. De sensitiviteit en specificiteit zijn kenmerken van de test; ook wanneer de test in populaties wordt toegepast met een andere ziekteprevalentie blijven deze eigenschappen in principe dezelfde.

Voor de gebruiker zijn de positief en negatief voorspellende waardes van een test belangrijke eigenschappen. Zij geven aan hoe groot de kans op ziekte is als de test positief is en hoe groot de kans op afwezigheid van ziekte is als de test negatief is. Deze testkenmerken zijn wél afhankelijk van de populatie waarin de test wordt gebruikt.

Als de a-priorikans in een bepaalde populatie anders is, dan verandert de verhouding tussen A+C en B+D en verandert de voorspellende waarde van de test. Tabel 1Vierveldentabel

Aandoening
Aanwezig Afwezig
Test Positief Terecht positief A Fout-positief B A+B
Negatief CFout-negatief DTerecht negatief C+D
A+C‘Zieken’ B+D‘Niet zieken’ A+B+C+D

Sensitiviteit = (A/(A+C)) de kans dat de test een positieve uitslag geeft bij de mensen die de aandoening wel hebben. Specificiteit = (D/(B+D)) de kans dat de test een negatieve uitslag geeft bij de mensen die de aandoening niet hebben. Voorspellende waarde van een positieve testuitslag (VW+) = (A/(A+B)) wanneer de test positief is dat de patiënt de aandoening daadwerkelijk heeft. Voorspellende waarde van een negatieve testuitslag (VW-) = (D/(C+D)) wanneer de test negatief is dat de patiënt de aandoening daadwerkelijk heeft. Fout-positieve testuitslag = (B) wanneer de test positief is terwijl de patiënt de aandoening niet heeft. Fout-negatieve testuitslag = (C) wanneer de test negatief is terwijl de patiënt de aandoening wel heeft. Om te kijken hoe goed een test meet wat je wilt meten, vergelijk je die test met de beste test (de referentietest of ‘Gouden standaard’) die er voor de aandoening bestaat. Om vast te stellen hoe goed een oorthermometer koorts meet, vergelijk je deze met een rectale meting. In geven we een voorbeeld van metingen bij 200 kinderen. Met de rectale meting hebben 80 kinderen koorts (temperatuur > 38 o C) en 120 kinderen niet. Horizontaal staan de uitkomsten van de meting met de oorthermometer: 81 kinderen hebben koorts, 119 niet. Deze laat zien dat er wel enige maar zeker geen volledige overeenkomst tussen beide metingen is. Hoe goed de overeenkomst is, laten de sensitiviteit (64%) en de specificiteit (95%) zien. In dit voorbeeld is de voorspellende waarde van een positieve testuitslag hoog (98%) en de voorspellende waarde van een negatieve testuitslag laag (47%). Bij een positieve uitslag weet je dus vrijwel zeker dat het kind koorts heeft (98% zekerheid bij een positieve testuitslag) maar bij een negatieve testuitslag is de zekerheid dat het kind géén koorts heeft veel minder (47%). Tabel 2Vierveldentabel oorthermometer in vergelijking met ‘Gouden standaard’ rectale temperatuurmeting

Koorts (temperatuur > 38C) met rectale meting
Temperatuur > 38C Temperatuur ? 38C
Oorthermometer Temperaruur > 38C 96 A 2 B 98 A+B
Temperatuur ? 38C C54 D48 C+D 102
A+C150 B+D50 A+B+C+D 200

Sensitiviteit = (A/(A+C)) 96/150 = 64%. Specificiteit = (D/(B+D)) 48/50 = 95%. Voorspellende waarde van een positieve testuitslag = (A/(A+B)) 96/98 = 98%. Voorspellende waarde van een negatieve testuitslag = (D/(C+D)) 48/102 = 47%. Voor de dagelijkse praktijk zijn sensitiviteit en specificiteit van een test vooral theoretisch van belang.

1. Berger MY, Boomsma LJ, Albeda FW, Dijkstra RH, Graafmans TA, Van der Laan JR, et al. NHG-Standaard Kinderen met koorts. Huisarts Wet 2008:51:287-96.

: Tests: sensitiviteit en specificiteit

Wat is de positieve likelihood ratio?

De positieve likelihood ratio geeft aan in welke mate een ziekte aannemelijker wordt bij een patiënt na het vinden van een positief testresultaat. Men spreekt ook wel van aantonende kracht van een positief testresultaat. Het is de verhouding tussen de kans op een positieve testuitslag bij zieken en die bij niet-zieken.

Hoe bereken je de diagnostische waarde?

Samenvatting – – Bij de beschrijving van methoden voor de evaluatie van diagnostisch onderzoek richt men zich meestal op één diagnostische test en het schatten van de testeigenschappen daarvan, zoals sensitiviteit, specificiteit, likelihood ratio en het oppervlak onder de ‘receiver operating characteristic'(ROC)-curve (het zogenaamde ‘testonderzoek’).

– Testonderzoek is alleen nuttig in situaties waarin de diagnose nagenoeg wordt gebaseerd op één test (screening) en in de initiële fasen van diagnostische testevaluaties om doelmatigheidsredenen. Deze methoden zijn niet geschikt om de klinische ofwel toegevoegde waarde van een test te kwantificeren.

– De waarde van een diagnostische test kan worden geëvalueerd door te onderzoeken of de test een bijdrage levert aan het aantonen of uitsluiten van ziekte, aan de keuze van behandeling, of dat het leidt tot gezondheidswinst. – Voor de evaluatie van de toegevoegde waarde van een diagnostische test binnen het diagnostisch traject dient men in de onderzoeksopzet rekening te houden met de patiëntengroep bij wie de test in de praktijk zal worden toegepast, de waarschijnlijkheidsdiagnose en de voorafkans hierop, de achtereenvolgende diagnostische fasen en de referentietest.

Hoe bereken je de likelihood ratio?

Tests: voorafkans, achterafkans en likelihood ratio Tijdens een nascholing horen we dat vervoerspijn appendicitis niet aantoont, maar wel uitsluit. We zien daarbij de volgende cijfers: LR+ = 1,59 en LR- = 0,1. Een huisarts in de zaal vraagt wat hij met likelihood ratio’s moet.

  • Wat zijn dat precies en wat voegen zij toe? Als huisartsen zijn wij gebaat bij een eenvoudige interpretatie van een diagnostische test.
  • Hoe beïnvloedt een positief of negatief testresultaat de kans op ziekte? Specifieker: hoeveel maal waarschijnlijker is het dat de patiënt ziek is bij een positieve of negatieve testuitslag? Om de waarde van een diagnostische test te beschrijven, wordt vaak een vierveldentabel gebruikt.

In de kijken we naar de verhouding tussen de cellen a en b bij een positief testresultaat, en naar de cellen c en d bij een negatief testresultaat. We bepalen de proportie deelnemers in deze cellen, en delen ze door elkaar. We krijgen dan: (a/(a+c))/(b/(b+d)).

Dit is de likelihood ratio van een positieve test (LR+). De likelihood ratio van een negatieve test (LR-) is (c/(a+c))/(d/(b+d)). Omdat a/a+c de sensitiviteit van de test is en d/b+d de specificiteit, kunnen we de formules ook zo schrijven: LR+ = sens/1-spec en LR- = spec/1-sens. De likelihood ratio is aantrekkelijk, omdat we er de kans op ziekte na de test (achterafkans) eenvoudig mee kunnen berekenen.

In ons voorbeeld is de kans op appendicitis van iemand die naar de SEH verwezen wordt 53% (voorafkans), Door te vragen naar vervoerspijn (de test) veranderen we die kans, en de mate van deze verandering drukken we uit in LR. De LR+ is 1,39. Wij kijken nu naar,

  • Deze figuur bestaat uit 3 verticale assen, met van links naar rechts de kans voor de test (voorafkans), de LR en de kans na de test (achterafkans).
  • We trekken nu een rechte lijn van de ons bekende voorafkans (53%) naar de LR (1,39), deze snijdt de rechter verticale as bij 61%.
  • Dit is onze achterafkans.

Probeert u nu zelf op deze manier de kans op ziekte na een negatieve test te bepalen. Deze is 10%. De likelihood ratio geeft aan hoe sterk een positieve uitkomst van een test de kans op een ziekte vergroot en een negatief testresultaat de kans op een ziekte verkleint. Bij een likelihood ratio van een positieve test groter dan 10 is de ziekte waarschijnlijk aanwezig, een likelihood ratio van een positieve test kleiner dan 0,1 maakt de kans op ziekte klein.

1. Ashdown HF, D’Souza N, Karim D, Stevens RJ, Huang A, Harnden A. Pain over speed bumps in diagnosis of acute appendicitis: diagnostic accuracy study. BMJ 2012;345:e8012. 2. Altman DG, Deeks JJ. Diagnostic tests 4: likelihood ratios. BMJ 2004;329:168-9. 3. Eekhof JAH. Tests: sensitiviteit en specificiteit. Huisarts Wet 2012;55:151. 4. Strauss SE, Glasziou P, Richardson WS Haynes RB. Evidence Based Medicine 4 edition. London: Churchill Livingstone, 2010.

: Tests: voorafkans, achterafkans en likelihood ratio

Wat is een goede sensitiviteit?

Ideale test vanuit het standpunt van sensitiviteit en specificiteit – Een test kan een hoge sensitiviteit (gevoeligheid) hebben, maar vaak vals alarm slaan. De test moet ook specifiek zijn, dat wil zeggen zo veel mogelijk positieve uitslag geven bij de door de test onderzochte ziekte, en zo weinig mogelijk bij afwezigheid van de geteste ziekte.

Wat zegt de P waarde?

Wat is een p-waarde (p-value)? De p-waarde (p-value) is een getal tussen 0 en 1, waarmee je bepaalt of een steekproefuitkomst statistisch significant is. Wanneer de p-waarde kleiner is dan het gekozen significantieniveau kun je stellen dat dat de gevonden uitkomst extreem genoeg is om je nulhypothese te verwerpen.

You might be interested:  Hypotheek Met Overwaarde Berekenen

Wat zegt sensitiviteit en specificiteit?

Sensitiviteit en specificiteit bij een diagnostische test Stel: je schaft een thuistest aan. De ene is de andere niet, dus hoe betrouwbaar is het betreffende exemplaar? Hoe groot is de kans op een vals-positieve of vals-negatieve uitslag? Zéker in het geval van een test waarbij een diagnose wordt gesteld, niet geheel onbelangrijk om te weten. Hebben we het over de prestaties van diagnostische testen, dan kun je die op een aantal punten beoordelen. De sensitiviteit en specificiteit zijn er twee van. Kort gezegd: bij een sensitiviteit van 100% wordt iedereen die ziek is daarvan op de hoogte gesteld.

  • Bij een specificiteit van 100% krijgt niemand een vals-positieve testuitslag.
  • Testen die op beide vlakken 100% scoren, bestaan eigenlijk amper of niet.
  • Dat betekent dat er altijd deelnemers zijn die onterecht als ziek of ten onrechte als gezond worden aangemerkt.
  • Bij de ontwikkeling van een diagnostische test voor de markt is het dus altijd een kwestie van belangen afwegen.

Sensitiviteit geeft het vermogen van een test aan om ziektes aan te tonen. Bij een hoge sensitiviteit krijgen veel mensen die daadwerkelijk ziek zijn een positieve testuitslag. Belangrijk, in het geval van HIV bijvoorbeeld. Of corona. Je gaat hiermee fout-negatieve uitslagen tegen en voorkomt besmettingen.

Is de sensitiviteit van een test hoog, dan kun je er ook ziektes mee uitsluiten. Het nadeel: je kunt alleen met een hoge sensitiviteit niet uitsluiten dat er fout-positieven zijn. De sensitiviteit van een diagnostische test hangt met meerdere zaken samen. Zo heb je de technische (analytische) en de klinische sensitiviteit.

De technische sensitiviteit geeft aan hoe goed een test specifieke moleculen kan aantonen; eenvoudig in een laboratorium te analyseren. De klinische sensitiviteit hangt ook samen met het onderzochte materiaal, het niveau van afname, de timing van afname in het ziekteproces, enzovoorts.

Ter illustratie: bij een PCR-test om een virus aan te tonen − zoals in de coronateststraat − neemt de sensitiviteit met de tijd na besmetting af. Dit omdat de uitscheiding van het virus mettertijd over het algemeen ook vermindert. Bij tests op de aanwezigheid van antistoffen in het lichaam, is de sensitiviteit in het begin juist laag.

Het duurt immers even voordat de productie van de antistoffen op gang is. Hebben we het over specificiteit, dan wordt gedoeld op het percentage mensen met een negatieve testuitslag dat de ziekte ook echt niet heeft. Een diagnostische test met een hoge specificiteit kent dus maar weinig fout-positieven; diegenen die positief testen zijn het overwegend ook.

  1. Een test met een hoge specificiteit is dan ook vooral geschikt om ziektes bij een positieve uitslag te bevestigen.
  2. Van belang bij zeldzame aandoeningen bijvoorbeeld.
  3. Maar het sluit niet uit dat personen negatieve testuitslagen krijgen, terwijl ze eigenlijk positief zijn.
  4. Gebruik je een test met een lage specificiteit voor bijvoorbeeld het opsporen van baarmoederhalskanker, dan zullen veel vrouwen een vals-positieve uitslag krijgen.

Niet wenselijk, want dat leidt tot de nodige zorgen en onrust. Het is dus altijd van belang om bij de keuze van een test de sensitiviteit en specificiteit tegen elkaar af te wegen en in het oog te houden. De keuze voor een bepaalde test heeft immers altijd gevolgen.

Weet je de sensitiviteit en de specificiteit van een diagnostische test, dan kun je de voorspellende waarden ervan berekenen. De positief voorspellende waarde (positive predictie value (PPV)) en de negatief voorspellende waarde (negative predictie value (NPV)). Op die manier krijg je inzicht in de kans dat een positieve of negatieve uitslag ook daadwerkelijk juist is.

De waarden houden ook verband met het aantal ziektegevallen binnen de onderzoeksgroep. Dat aantal hangt op zijn beurt weer af van wie er getest is, hoe vaak de ziekte voorkomt en welke keuzes er verder zijn gemaakt bij de uitvoer van de test. De prevalentie van een aandoening wordt meestal weergegeven als een aantal gevallen per duizend of honderdduizend personen.

Hoe vaak het voorkomt op een bepaald moment, uitgedrukt als deel van de populatie dus. Gebruik je een specifieke test bij mensen met een typisch ziektebeeld, dan zal de kans dat ze de ziekte hebben relatief hoog zijn. Om bij een negatief testresultaat de ziekte uit te sluiten, is een test met een hogere sensitiviteit nodig.

Andersom is het ook zo. Gebruik je een test bij bijvoorbeeld een bevolkingsonderzoek op mensen zonder typische klachten, dan is de kans dat ze de ziekte hebben heel klein. Heeft een positieve uitslag grote gevolgen, dan moet zo’n resultaat bevestigd worden met een test met een hoge specificiteit. De betrouwbaarheid van een diagnostische test is alles; lever je tijdens het productieproces in op betrouwbaarheid, dan kun je er net zo goed niet aan beginnen. Toch lezen veel consumenten niet hoe betrouwbaar de test van hun keuze precies is. Dat kan tot misverstanden leiden, met alle gevolgen van dien.

Bij Future Diagnostics kan het gehele ontwikkelingsproces van een diagnostische test de nodige tijd in beslag nemen. Want wij ontwikkelen niet alleen. Wij richten ons ook op de betrouwbaarheid; we testen volop om te bepalen of die voldoende is. Omdat we met vakkundige mensen, de juiste apparatuur en voldoende tijd werken, kunnen wij garanties geven.

Zo verkleinen we de kans op vals-negatieve uitslagen en de daaruit voortvloeiende besmettingen. We zorgen ook dat het aantal onterecht positieve uitslagen zo klein mogelijk is. Want ook die situatie is allesbehalve wenselijk. Met onze klanten spreken wij dan ook van tevoren af hoe sensitief en specifiek een test moet zijn.

  • Om de concurrentie voor te zijn, maar ook om aan de markteisen te voldoen; wil je een nieuwe diagnostische test op de markt brengen, dan mag die nooit minder accuraat zijn dan de tests die al op de markt zijn.
  • Wij faciliteren daarin en denken mee.
  • Zo vinden we samen de optimale balans tussen sensitiviteit en specificiteit en streven we altijd hetzelfde doel na.

: Sensitiviteit en specificiteit bij een diagnostische test

Wat zegt de sensitiviteit?

Hoe goed werken testen bij bevolkingsonderzoeken? De specificiteit van een test is de kans dat de test een uitslag “negatief” of “niet-afwijkend” geeft bij mensen die de ziekte niet hebben. Of anders gezegd: de specificiteit van een test is het percentage onder de niet-zieke personen. De sensitiviteit van een test is de kans dat de test een uitslag “positief” of “afwijkend” geeft bij mensen die de ziekte hebben. Of anders gezegd: de sensitiviteit van een test is het percentage onder de zieke personen. Hoe hoger de sensitiviteit is, hoe beter de test zieke mensen opspoort. Voor alle screenings geldt dat bij de keuze van de test de gewenste sensitiviteit en specificiteit moeten worden overwogen. Specificiteit verwijst naar de mensen die niet ziek zijn. Dit zijn er bij een bevolkingsonderzoek altijd relatief veel. Kleine variaties van de specificiteit hebben dan gevolgen voor veel mensen.

  1. Aan het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker bijvoorbeeld nemen ieder jaar ongeveer 500.000 vrouwen deel.
  2. Een test met een specificiteit van 98% betekent dat ieder jaar 10.000 gezonde vrouwen onterecht een verwijzing krijgen voor verder onderzoek.
  3. Zij zijn onterecht een tijdje ongerust.
  4. Een aantal van hen blijft onterecht ongerust.

Variaties in sensitiviteit hebben gevolgen voor minder mensen. Sensitiviteit verwijst naar de mensen die ziek zijn. Dit zijn er bij een bevolkingsonderzoek meestal relatief weinig. Zelfs grote variaties van de sensitiviteit hebben dus slechts gevolgen voor een beperkt aantal mensen.

De gevolgen zijn voor hen wel groot: ze krijgen onterecht de boodschap dat ze de aandoening niet hebben. De beste testen zijn testen met een sensitiviteit van 100% (iedereen die de ziekte heeft wordt verwezen voor verder onderzoek) en een specificiteit van 100% (niemand uit de groep die de ziekte niet heeft wordt verwezen).

Er zijn niet veel van zulke testen. Dat betekent dat veel testen een deel van de deelnemers onterecht als ziek of gezond aanwijzen. Dan zijn de sensitiviteit en de specificiteit dus lager dan 100%. Bij de keuze van een test moeten sensitiviteit en specificiteit tegen elkaar worden afgewogen.

Wat is negatieve likelihood ratio?

De negatieve likelihood ratio geeft aan in welke mate een ziekte minder aannemelijk wordt bij een negatief testresultaat. Het is de verhouding tussen de kans op een negatieve testuitslag bij zieken en die bij niet-zieken. LR- = 1 – sensitiviteit / specificiteit. De LR- is een getal kleiner dan 1.

Wat is de Voorafkans?

A-priorikans (voorafkans): de kans op de vermoede aan- doening in de onderzochte groep personen. A-posteriorikans (achterafkans): de kans op de ver- moede aandoening op basis van de diagnostische testuitslag.

Wat is de Achterafkans?

De voorafkans op een bepaalde aandoening gaat op basis van een testuitslag over in een achteraf (posterior) kans. De achterafkans wordt ook wel de voorspellende waarde van een afwijkende testuitslag genoemd. testuitslag inderdaad ziek is.

Wat is een Referentietest?

Referentietest. Een referentietest wordt ook wel gouden standaard genoemd. Bij afwezigheid van een gouden standaard wordt een indextest vaak vergeleken met de best voorhanden zijnde test of wordt het lange-termijn beloop van de aandoening als referentietest gebruikt.

Wat is een diagnostische test?

Diagnostische toets (onderwijs) Een diagnostische toets is een onderzoek naar eventuele lacunes in kennis of vaardigheden van een of, Het doel van de diagnostische toets is het vaststellen van een, eventueel te wijzigen, leerprogramma. Een andere benaming is formatieve toets.

Wat is een hoge sensitiviteit?

Een zogenaamde HSP (Highly Sensitive Person of hoogsensitief persoon) is iemand die gevoeliger is voor indrukken en prikkels dan gemiddeld. Hij of zij neemt subtielere nuances waar in de lichaamstaal en stemmingen van anderen en is gevoeliger voor licht, geuren en geluiden.

Wat is de specificiteit?

Resultaat met woordenlijst ( 38 ) – specificiteit De specificiteit van een test is de proportie van personen in de populatie die de ziekte niet hebben en bij wie een negatief testresultaat werd gevonden (ten opzichte van alle personen die de ziekte niet hebben). Een test met een hoge specificiteit geeft weinig fout-positieve resultaten. Specificiteit = d / b + d. Aantal resultaten : 38 artikel(s) – 1 bondige bespreking(en) Deze systematische review en meta-analyse bevestigt de plaats van RT-PCR-test als meest accurate test in het bevestigen of uitsluiten van covid-19, hoewel de diagnostische waarde bij ambulante patiënten met weinig symptomen en bij asymptomatische patiënten onvoldoende werd onderzocht. Evenmin werd de waarde van de RT-PCR-test onderzocht voor andere doeleinden dan diagnosestelling. Een CT thorax en immunologische testen op serum hebben geen plaats in het stellen van de diagnose van covid-19. De diagnostische accuraatheid van eenvoudige testen (HbA1c en nuchtere glykemie) voor de opsporing van prediabetes is matig. De populaties die met deze testen geïdentificeerd worden als prediabetespatiënten, variëren aanzienlijk naargelang de gebruikte criteria. Er bestaat dus een risico om spontaan interventies op te zetten bij vals-positieve patiënten en om niets te ondernemen bij vals-negatieve patiënten. De orale glucosetolerantietest is de gouden standaard, maar is minder eenvoudig af te nemen. Metformine en leefstijlinterventies hebben enig preventief effect op de ontwikkeling van diabetes, maar het klinische effect is waarschijnlijk overschat. Voor vrouwen met zwangerschapsdiabetes in de voorgeschiedenis is het niet mogelijk om besluiten te formuleren. De optie om te screenen en vroegtijdig te behandelen riskeert dus weinig effectief te zijn voor de preventie van type 2-diabetes. De DUTY-studie is een diagnostische, prospectieve multicenter cohortstudie bij 7 163 kinderen jonger dan 5 jaar die zich aanbieden in de eerste lijn met een acute verslechtering van hun gezondheidstoestand. Op basis van een nauwgezette en adequate analyse bevelen de auteurs aan om bij kinderen ouder dan 2 jaar een urinestaal via midstream te laten onderzoeken indien 3 van de 5 volgende symptomen of tekenen aanwezig zijn: voorgeschiedenis van urineweginfecties, slecht ruikende urine, pijn bij het plassen, klinische indruk van ernstige ziekte en afwezigheid van ernstige hoest. De sensitiviteit van deze aanpak bedraagt 51,7%. De dipstick heeft geen supplementaire diagnostische waarde en is economisch niet verantwoord. Voor kinderen jonger dan 2 jaar bij wie een urinestaal alleen mogelijk is via de luier, laten de gegevens van deze studie niet toe om een onderscheid te maken tussen de kosteneffectiviteit van het algoritme en het klinisch oordeel, met of zonder dipstick. Deze systematische review toont aan dat de anamnestische gegevens en het klinisch onderzoek, en vooral de klinische beslisregels (scores) ‘Canadian CT Head Rule’ en ‘New Orleans Criteria’ een zeer hoge sensitiviteit hebben om volwassen patiënten na een licht hoofdtrauma te kunnen identificeren met een zeer gering risico van ernstig intracranieel letsel. Deze update van vorige literatuuroverzichten van de USPSTF (U.S. Preventive Services Task Force) bevestigt de accuraatheid van de DNA-amplificatietest voor de opsporing van chlamydia- of gonokokkeninfecties. De doeltreffendheid van screening op gonokokken is nog niet onderzocht. De gegevens over de doeltreffendheid van chlamydiascreening bij asymptomatische vrouwen tussen 16 en 34 jaar zijn waarschijnlijk nog onvoldoende nauwkeurig en hebben misschien nog te weinig power, waardoor de resultaten op het vlak van preventie van PID niet eensluidend zijn. Deze systematische review met veel methodologische beperkingen stelt het mogelijke nut voorop van CRP en fecaal calprotectine om inflammatoir darmlijden uit te sluiten bij patiënten met prikkelbaredarmsyndroom. Deze methodologisch correct uitgevoerde systematische review en meta-analyse toont aan dat geen enkele klinische test rotator cuff lijden goed kan aantonen of uitsluiten. Een externe en interne rotatie lag test lijken wel nuttig te zijn om een rotator cuff scheur respectievelijk aan te tonen en uit te sluiten. Er kan geen uitspraak gedaan worden over de gecombineerde diagnostische waarde van 2 of meer klinische testen, noch over de plaats van deze klinische testen in het test-diagnose-behandelingstraject. Deze systematische review en meta-analyse toont aan dat geen enkel klinisch teken of symptoom apart in staat is pneumonie bij kinderen jonger dan 5 jaar aan te tonen of uit te sluiten. Er kan geen uitspraak gedaan worden over de gecombineerde diagnostische waarde van twee of meer klinische kenmerken, noch over de plaats van sneltesten. Deze review zonder meta-analyse bevat zeer veel methodologische beperkingen en voegt geen enkel nieuwe element toe aan de huidige aanbevelingen, noch voor infectieuze conjunctivitis, noch voor allergische conjunctivitis. Deze update van een literatuuroverzicht gepubliceerd in 2004 bevestigt het nut van fluoride lokaal toegepast in de vorm van fluoridelak en via de voeding. Fluoridetandpasta komt niet aan bod in deze publicatie, terwijl de werkzaamheid ervan wel bewezen is. Voor xylitol, screening in de eerste lijn en educatieve interventies is er geen wetenschappelijke onderbouwing. Uit deze studie kunnen we besluiten dat HbA1c ≥6,5% in vergelijking met nuchtere glykemie en een orale glucose tolerantietest, weinig gevoelig is om de diagnose van type 2-diabetes te stellen bij patiënten met een verhoogd risico van type 2-diabetes. De resultaten van deze studie tonen aan dat oefentherapie voor sommige uitkomstmaten effectiever is dan de gebruikelijke zorg als behandeling van het patellofemorale pijnsyndroom bij jonge volwassenen gerekruteerd in de huisartspraktijk. Over de klinische relevantie van de verbetering kunnen we echter geen uitspraak doen. Deze studie toont aan dat de natkammethode veel gevoeliger is dan hoofdinspectie om levende hoofdluizen bij een persoon op te sporen. Om neten op te sporen is hoofdinspectie even gevoelig als natkammen. Deze studie toont aan dat de regel van Wells, al of niet in combinatie met een D-dimeertest, en toegepast door huisartsen in een eerstelijnssetting, onvoldoende nauwkeurig is om patiënten met een zeer lage voorkans op DVT (<3%) te identificeren. In verschillende studies met patiënten die zich aanboden op de spoedopname was dit wel mogelijk. Bij patiënten met een lage voorkans op DVT bepaalt men de D-dimeren met een hoog sensitieve test. Indien deze test negatief is, kan men een DVT uitsluiten. Bij patiënten met een gemiddelde of hoge voorkans op DVT is compressie-echografie van de onderste ledematen de volgende diagnostische stap. Deze studie bevestigt het belang van een eenvoudige vragenlijst bij de diagnose van urge- en stressincontinentie bij de vrouw. De test is echter niet erg nauwkeurig en is ongeschikt bij complexe incontinentie of incontinentie met comorbiditeit. Een volledig correcte diagnose is bij een eerste contact wellicht van minder belang, aangezien bekkenbodem-reëducatie volgens de huidige richtlijnen de eerste stap is in de aanpak van zowel urge- als stressincontinentie. Wanneer deze eerste behandeling faalt of wanneer een meer invasieve (chirurgische), een meer risicovolle (medicamenteuze) of een duurdere (biofeedback) behandeling worden overwogen, is uro-gynaecologische oppuntstelling gewenst. Deze systematische review toont aan dat het uitvoeren van een funduscopie in het kader van de op puntstelling van de hypertensiepatiënt geen meerwaarde heeft. De interobservervariatie is te groot en de aantonende en uitsluitende kracht zijn te laag. Bovendien beïnvloedt het resultaat van een funduscopisch onderzoek het verloop van de behandeling niet. Deze diagnostische studie toont aan dat geen enkele soort inspanningsgebonden pijn voldoende sensitief of specifiek is om perifeer arterieel vaatlijden te bevestigen of uit te sluiten. Tevens worden veel patiënten met perifeer arterieel vaatlijden niet gediagnosticeerd wegens de afwezigheid van de klassieke claudicatioklachten. Perifeer arterieel vaatlijden kan door de huisarts vastgesteld worden met behulp van de enkelarmindex (EAI). Een normale EAI ligt tussen 1,00 en 1,39. Het meten van de EAI is zinvol bij patiënten met inspanningsgebonden pijn in de onderste ledematen. Daarnaast moeten andere cardiovasculaire risicofactoren, zoals rookgedrag, hypertensie, diabetes en lipidenafwijkingen, aangepakt worden. Op basis van de huidige beschikbare evidentie kunnen we screening van alle patiënten door middel van een EAI niet aanraden. Uit deze meta-analyse blijkt dat de semi-kwantitatieve ELISA-test voor de bepaling van D-dimeren bij patiënten met een vermoeden van diepe venueze trombose of longembolie de beste D-dimeertest is om een DVT of longembolie uit te sluiten: een negatief testresultaat bij een patiënt met een lage voorkans is een voldoende sterk argument om de diagnose uit te sluiten.Wanneer men D-dimeren laat bepalen, is de semi-kwantitatieve ELISA-test dus de beste keuze. Deze studie toont aan dat wanneer men een diepe veneuze trombose vermoedt bij patiënten die op basis van een klinische score een lage voorkans op DVT (5%) hebben,een negatieve D-dimeertest een goede uitsluiter is. Bij patiënten met een hoge voorkans (>15%) is in eerste instantie compressie-echografie van de onderste ledematen aangewezen. Indien bij deze patiënten zowel compressie-echografie als de D-dimeertest negatief zijn, kan een diepe veneuze trombose worden uitgesloten. Deze studie ondersteunt de recente richtlijnen, die aanbevelen dat de huisarts de diagnose van hypertensie pas stelt na bevestiging door goed uitgevoerde thuismetingen door de patiënt zelf. De Ottawa knieregels kunnen nuttig zijn om in geval van een knietrauma de noodzaak van radiografisch onderzoek in te schatten en aldus het gebruik ervan te beperken. Ze bezitten een zeer goede sensitiviteit. Er zijn echter nog onvoldoende studies over de betrouwbaarheid van deze test en praktische problemen beperken de toepasbaarheid ervan. De bevindingen van deze studie hoeven voorlopig niets te veranderen aan het aanbevolen diagnostisch beleid in de Belgische richtlijn: ze bevestigen eerder de voorgestelde beslisboom. In deze beslisboom gebruikt men de combinatie van symptomen met de nitriettest, al dan niet met een test voor pyurie, om de diagnose van ongecompliceerde urineweginfectie te stellen. Deze studie toont aan dat screening van cervixkanker met behulp van dunnelaagcytologie minder betrouwbaar is dan met een klassiek Papanicolaou-uitstrijkje. Andere studies en een meta-analyse komen tot andere resultaten. Daarbij is er onvoldoende evidentie over de kosten en baten van de dunnelaagtechniek. De WVVH-aanbeveling voor cervixkankerscreening die het gebruik van de klassieke uitstrijktechniek aanbeveelt, blijft dan ook van kracht. Uit deze studie blijkt dat het mogelijk is een pneumonie uit te sluiten bij patiënten met acute hoest en een laag risico van een (lage) luchtweginfectie (namelijk maximaal één van de drie criteria droge hoest, diarree of rectale temperatuur >=38°C ) en een CRP-waarde <20 mg/l. ‘Watchful waiting' blijft de beste strategie met betrekking tot de implementatie van screeningsprogramma's voor prostaatkanker. Ondertussen moet het gebruik van de PSA-bepaling als screeningstest voor prostaatkanker bij symptoomloze mannen worden afgeraden.Verder onderzoek is nodig naar optimale behandeling bij vroegtijdige letsels en meer specifieke diagnostische (screenings-)procedures. De Ottawa enkelregels zijn een gemakkelijke en gevalideerde test om een fractuur uit te sluiten in geval van een letsel aan de enkel of de middenvoet bij volwassenen en kinderen. De sensitiviteit van deze test is hoger binnen de eerste 48 uur na het ongeval. De rectale temperatuurmeting verschilt sterk van de oortemperatuurmeting en de verschillen doen zich voor in de twee richtingen! Voor een betrouwbare meting van de lichaamstemperatuur is de conventionele kwikthermometer of de digitale thermometer beter geschikt dan de infrarood oorthermometer. Uit deze studie over de waarde van echografie bij de diagnose van appendicitis kunnen geen besluiten voor de huisarts worden getrokken. De kliniek blijft van primordiaal belang. Deze studie toont aan dat in de acute fase van de behandeling van diepe veneuze trombose enoxaparine, een heparine met laag moleculair gewicht (LMW-heparine), een- of tweemaal daags subcutaan toegediend, even effectief en veilig is als continue toediening van heparine per infuus. In de acute fase wordt tevens gestart met orale anticoagulantia. Na het bereiken van een aanvaardbare INR-waarde (tussen 2 en 3) worden de LMW-heparines gestaakt. Behandeling met orale anticoagulantia wordt nog gedurend Samenvattend kunnen we stellen dat de klinische symptomen van een luchtweginfectie bij kinderen (crepitaties, hoest, koorts,) niet toelaten om de diagnose ‘pneumonie' te stellen of uit te sluiten. Aanwezigheid van tachypneu is een zwak argument voor de diagnose van pneumonie. Uitgaande van een incidentie van pneumonie bij kinderen van ongeveer 30-50 per 1.000, is de aanwezigheid van tachypneu wel waardevol bij het beslissen of men een thoraxfoto laat nemen. De diagnose (en dus de behandeling) van een pneumonie stelt men niet op basis van de kliniek, maar op basis van een foto. Er is nog onvoldoende bewijs dat screenen op borstkanker door middel van klinisch borstonderzoek zinvol is. De studies die hierover rapporteren, geven tegenstrijdige resultaten. Het aanwezig zijn van abnormale bevindingen verhoogt wel de probabiliteit op het vinden van borstkanker. Een normaal klinisch borstonderzoek daarentegen geeft onvoldoende informatie voor het uitsluiten van borstkanker. Uit deze studie zou blijken dat jaarlijkse of tweejaarlijkse screening met PSA-metingen bij patiënten vanaf vijftig jaar de mortaliteit door prostaatkanker kan reduceren. Bovenstaande bespreking wijst echter op fundamentele methodologische tekortkomingen in de studie. Er zijn dus nog steeds geen goede studies die systematische screening naar prostaatkanker onderbouwen. Dit onderzoek geeft een (nog beperkte) aanwijzing dat afwezigheid van hematurie bij een patiënt met acute flankpijn slechts een zeer zwak argument vormt om de diagnose van uretererolithiase uit te sluiten. Als de kliniek al niet duidelijk genoeg is (bijvoorbeeld: bekende niersteenproblematiek, typische zich herhalende nierkolieken, een manifeste acute pyelonefritis), dienen we ons te verlaten op bijkomende onderzoeken om een steen uit te sluiten. Als een patiënt zich presenteert met acute flankpijn en aanwezigheid van hematurie, dan is ook dit, bij een atypische kliniek, een zeer zwak argument om de diagnose van een ureterolithiase te bevestigen Deze studie stelt vast dat zwangere vrouwen zonder vooraf bestaande diabetes mellitus gescreend kunnen worden op diabetes mellitus in de 24e tot 28e zwangerschapsweek met behulp van een nuchtere glycemiebepaling. Wanneer een afkapwaarde van 4.8 mmol/L (86.5 mg/100 ml) wordt gehanteerd kan een sensitiviteit van 81% en een specificiteit van 76% worden bereikt. Alleen vrouwen met een nuchtere glycemie 4.8 mmol/L (86.5 mg/100 ml) komen in aanmerking voor een 50 g glucosetolerantietest. Deze studie die gebaseerd is op materiaal uit andere studies, toont aan dat de geïntegreerde screeningstest die gebruikmaakt van testresultaten van het eerste en tweede trimester meer Down-zwangerschappen detecteert met een veel lager percentage fout-positieven dan de beste screeningstesten op dit moment. Aangezien in België de voorwaarden voor invoering van een dergelijke screeningstest (haalbaarheid, kostenbatenanalyse en emotionele kosten) nog onvoldoende zijn ingevuld, is de implementatie hiervan op korte termijn niet te verwachten. Meer aandacht dient te gaan naar het informeren van de aanstaande ouders zodat zij een overwogen keuze kunnen maken om al dan niet een screeningstest te laten uitvoeren. Wanneer een totaal PSA gevonden wordt tussen de 4 en 10 ng/ml, is het zinvol ook een vrij PSA te laten bepalen. Indien de ratio vrij/totaal PSA meer dan 25% bedraagt, is het veilig om af te zien van een prostaatbiopsie. Het is nog altijd niet duidelijk of screening naar prostaatkanker zinvol is. Er zijn op dit ogenblik nog geen goede prospectieve studies die een gunstig effect aantonen op de levenskwaliteit en levensduur van mannen met prostaatkanker.

You might be interested:  Gas Berekenen Van M3 Naar Kwh

Wat is sensitief zoeken?

Nieuwe zoekfilters voor het vinden van relevante publicaties 10.1007/s12445-018-0268-z Erasmus MC, Afdeling Huisartsgeneeskunde, Rotterdam: David Pols, Huisarts en wetenschappelijk docent, ; Patrick Bindels, Huisarts en afdelingshoofd; Arthur Bohnen, Huisarts en universitair docent.

  • Erasmus MC, Afdeling Medische Bibliotheek, Rotterdam: Wichor Bramer, Biomedisch informatiespecialist.
  • Radboudumc, Afdeling Eerstelijnsgeneeskunde, Nijmegen: Floris van de Laar, Huisarts en docent-onderzoeker.
  • Het hooikoortsseizoen is in volle gang en u bent naar aanleiding van een casus van een zevenjarig kind met neusverstopping door hooikoorts (P) geïnteresseerd in de vraag of orale antihistaminica (I) beter werken dan een corticosteroïd neusspray (C) op het verminderen van de rinitisklachten (O).

U besluit quick and dirty te zoeken in Pubmed. U maakt daarbij slim gebruik van MeSH-termen (zie de voor een uitgebreidere toelichting). U zoekt per element van uw zoekvraag in de MeSH-database naar de meest geschikte MeSH-term en combineert die termen tot de volgende zoekstrategie: ((“Child”) OR (“Infant”) OR child* OR infant*) AND ((“Rhinitis, Allergic”) OR “Pollen Allerg*” OR Pollinos* OR “Hay Fever*” OR HayFever*) AND (“Anti-Allergic Agents” OR “Histamine Antagonist*” OR Antihistamine* OR “Anti-histamine*”) AND (“Adrenal Cortex Hormones” OR Corticoid*).

Het vinden van huisartsgeneeskundig relevante artikelen voor een literatuuronderzoek kan lastig zijn. Zoekfilters voor het vinden van ‘huisartsgeneeskundige publicaties’ kunnen een aanzienlijke bijdrage leveren aan de efficiëntie van een zoekopdracht. Gebruik het specifieke zoekfilter wanneer de tijd beperkt is en het acceptabel is dat een relevante referentie gemist wordt. Gebruik het sensitieve zoekfilter als zorgvuldigheid vooropstaat en u de kans op het missen van een relevante publicatie zo klein mogelijk moet houden.

Hoewel (huis)artsen geregeld online medische databases (bijvoorbeeld Pubmed, Embase, Cochrane) raadplegen om antwoord te vinden op vragen uit de dagelijkse praktijk, is het vaak erg lastig om de meest relevante literatuur te vinden. Veel huisartsen ervaren daarbij barrières, zoals een gebrek aan tijd of vaardigheden.

  • Daarnaast hebben veel huisartsen een duidelijke voorkeur om, als alternatief voor het zoeken in online databases, een collega (bijvoorbeeld een medisch specialist) of een naslagwerk (bijvoorbeeld de NHG-Standaarden) te raadplegen.
  • Om de beschreven barrières het hoofd te bieden, kunnen zoekfilters een uitkomst zijn voor de klinische praktijk.
You might be interested:  Belasting Teruggave Berekenen

Ook wetenschappelijk onderzoek kan daar bij gebaat zijn. Zoekfilters zijn combinaties van zoektermen die u kunt gebruiken om de resultaten van zoekopdrachten voor specifieke onderwerpen in te perken. We onderscheiden twee soorten zoekfilters: een specifiek en een sensitief zoekfilter.

Een specifiek zoekfilter zal vooral helpen om in korte tijd relevante publicaties te vinden. Dat is handig als u snel een antwoord wilt op uw vraag, maar er bestaat dan wel een kleine kans dat u relevante literatuur mist. Een onderzoeker die een systematische review schrijft wil natuurlijk geen relevante publicaties missen.

Dan kan een sensitief zoekfilter uitkomst bieden. Een sensitief filter mist nauwelijks relevante artikelen, maar zal wel meer artikelen vinden die niet of minder relevant zijn. Het doel van de zoekopdracht bepaalt welk filter u moet kiezen. Bestaande filters hebben een goede specificiteit, maar missen een adequate sensitiviteit Het ontwikkelen van een zoekfilter is niet eenvoudig.

Wat is negatieve likelihood ratio?

De negatieve likelihood ratio geeft aan in welke mate een ziekte minder aannemelijk wordt bij een negatief testresultaat. Het is de verhouding tussen de kans op een negatieve testuitslag bij zieken en die bij niet-zieken. LR- = 1 – sensitiviteit / specificiteit. De LR- is een getal kleiner dan 1.

Wat betekent een lage sensitiviteit?

Hoe goed werken testen bij bevolkingsonderzoeken? De specificiteit van een test is de kans dat de test een uitslag “negatief” of “niet-afwijkend” geeft bij mensen die de ziekte niet hebben. Of anders gezegd: de specificiteit van een test is het percentage onder de niet-zieke personen. De sensitiviteit van een test is de kans dat de test een uitslag “positief” of “afwijkend” geeft bij mensen die de ziekte hebben. Of anders gezegd: de sensitiviteit van een test is het percentage onder de zieke personen. Hoe hoger de sensitiviteit is, hoe beter de test zieke mensen opspoort. Voor alle screenings geldt dat bij de keuze van de test de gewenste sensitiviteit en specificiteit moeten worden overwogen. Specificiteit verwijst naar de mensen die niet ziek zijn. Dit zijn er bij een bevolkingsonderzoek altijd relatief veel. Kleine variaties van de specificiteit hebben dan gevolgen voor veel mensen.

Aan het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker bijvoorbeeld nemen ieder jaar ongeveer 500.000 vrouwen deel. Een test met een specificiteit van 98% betekent dat ieder jaar 10.000 gezonde vrouwen onterecht een verwijzing krijgen voor verder onderzoek. Zij zijn onterecht een tijdje ongerust. Een aantal van hen blijft onterecht ongerust.

Variaties in sensitiviteit hebben gevolgen voor minder mensen. Sensitiviteit verwijst naar de mensen die ziek zijn. Dit zijn er bij een bevolkingsonderzoek meestal relatief weinig. Zelfs grote variaties van de sensitiviteit hebben dus slechts gevolgen voor een beperkt aantal mensen.

De gevolgen zijn voor hen wel groot: ze krijgen onterecht de boodschap dat ze de aandoening niet hebben. De beste testen zijn testen met een sensitiviteit van 100% (iedereen die de ziekte heeft wordt verwezen voor verder onderzoek) en een specificiteit van 100% (niemand uit de groep die de ziekte niet heeft wordt verwezen).

Er zijn niet veel van zulke testen. Dat betekent dat veel testen een deel van de deelnemers onterecht als ziek of gezond aanwijzen. Dan zijn de sensitiviteit en de specificiteit dus lager dan 100%. Bij de keuze van een test moeten sensitiviteit en specificiteit tegen elkaar worden afgewogen.

Welk risico kleeft er aan een test met een te lage specificiteit?

Sensitiviteit en specificiteit bij een diagnostische test Stel: je schaft een thuistest aan. De ene is de andere niet, dus hoe betrouwbaar is het betreffende exemplaar? Hoe groot is de kans op een vals-positieve of vals-negatieve uitslag? Zéker in het geval van een test waarbij een diagnose wordt gesteld, niet geheel onbelangrijk om te weten. Hebben we het over de prestaties van diagnostische testen, dan kun je die op een aantal punten beoordelen. De sensitiviteit en specificiteit zijn er twee van. Kort gezegd: bij een sensitiviteit van 100% wordt iedereen die ziek is daarvan op de hoogte gesteld.

Bij een specificiteit van 100% krijgt niemand een vals-positieve testuitslag. Testen die op beide vlakken 100% scoren, bestaan eigenlijk amper of niet. Dat betekent dat er altijd deelnemers zijn die onterecht als ziek of ten onrechte als gezond worden aangemerkt. Bij de ontwikkeling van een diagnostische test voor de markt is het dus altijd een kwestie van belangen afwegen.

Sensitiviteit geeft het vermogen van een test aan om ziektes aan te tonen. Bij een hoge sensitiviteit krijgen veel mensen die daadwerkelijk ziek zijn een positieve testuitslag. Belangrijk, in het geval van HIV bijvoorbeeld. Of corona. Je gaat hiermee fout-negatieve uitslagen tegen en voorkomt besmettingen.

Is de sensitiviteit van een test hoog, dan kun je er ook ziektes mee uitsluiten. Het nadeel: je kunt alleen met een hoge sensitiviteit niet uitsluiten dat er fout-positieven zijn. De sensitiviteit van een diagnostische test hangt met meerdere zaken samen. Zo heb je de technische (analytische) en de klinische sensitiviteit.

De technische sensitiviteit geeft aan hoe goed een test specifieke moleculen kan aantonen; eenvoudig in een laboratorium te analyseren. De klinische sensitiviteit hangt ook samen met het onderzochte materiaal, het niveau van afname, de timing van afname in het ziekteproces, enzovoorts.

  1. Ter illustratie: bij een PCR-test om een virus aan te tonen − zoals in de coronateststraat − neemt de sensitiviteit met de tijd na besmetting af.
  2. Dit omdat de uitscheiding van het virus mettertijd over het algemeen ook vermindert.
  3. Bij tests op de aanwezigheid van antistoffen in het lichaam, is de sensitiviteit in het begin juist laag.

Het duurt immers even voordat de productie van de antistoffen op gang is. Hebben we het over specificiteit, dan wordt gedoeld op het percentage mensen met een negatieve testuitslag dat de ziekte ook echt niet heeft. Een diagnostische test met een hoge specificiteit kent dus maar weinig fout-positieven; diegenen die positief testen zijn het overwegend ook.

  1. Een test met een hoge specificiteit is dan ook vooral geschikt om ziektes bij een positieve uitslag te bevestigen.
  2. Van belang bij zeldzame aandoeningen bijvoorbeeld.
  3. Maar het sluit niet uit dat personen negatieve testuitslagen krijgen, terwijl ze eigenlijk positief zijn.
  4. Gebruik je een test met een lage specificiteit voor bijvoorbeeld het opsporen van baarmoederhalskanker, dan zullen veel vrouwen een vals-positieve uitslag krijgen.

Niet wenselijk, want dat leidt tot de nodige zorgen en onrust. Het is dus altijd van belang om bij de keuze van een test de sensitiviteit en specificiteit tegen elkaar af te wegen en in het oog te houden. De keuze voor een bepaalde test heeft immers altijd gevolgen.

Weet je de sensitiviteit en de specificiteit van een diagnostische test, dan kun je de voorspellende waarden ervan berekenen. De positief voorspellende waarde (positive predictie value (PPV)) en de negatief voorspellende waarde (negative predictie value (NPV)). Op die manier krijg je inzicht in de kans dat een positieve of negatieve uitslag ook daadwerkelijk juist is.

De waarden houden ook verband met het aantal ziektegevallen binnen de onderzoeksgroep. Dat aantal hangt op zijn beurt weer af van wie er getest is, hoe vaak de ziekte voorkomt en welke keuzes er verder zijn gemaakt bij de uitvoer van de test. De prevalentie van een aandoening wordt meestal weergegeven als een aantal gevallen per duizend of honderdduizend personen.

Hoe vaak het voorkomt op een bepaald moment, uitgedrukt als deel van de populatie dus. Gebruik je een specifieke test bij mensen met een typisch ziektebeeld, dan zal de kans dat ze de ziekte hebben relatief hoog zijn. Om bij een negatief testresultaat de ziekte uit te sluiten, is een test met een hogere sensitiviteit nodig.

Andersom is het ook zo. Gebruik je een test bij bijvoorbeeld een bevolkingsonderzoek op mensen zonder typische klachten, dan is de kans dat ze de ziekte hebben heel klein. Heeft een positieve uitslag grote gevolgen, dan moet zo’n resultaat bevestigd worden met een test met een hoge specificiteit. De betrouwbaarheid van een diagnostische test is alles; lever je tijdens het productieproces in op betrouwbaarheid, dan kun je er net zo goed niet aan beginnen. Toch lezen veel consumenten niet hoe betrouwbaar de test van hun keuze precies is. Dat kan tot misverstanden leiden, met alle gevolgen van dien.

Bij Future Diagnostics kan het gehele ontwikkelingsproces van een diagnostische test de nodige tijd in beslag nemen. Want wij ontwikkelen niet alleen. Wij richten ons ook op de betrouwbaarheid; we testen volop om te bepalen of die voldoende is. Omdat we met vakkundige mensen, de juiste apparatuur en voldoende tijd werken, kunnen wij garanties geven.

Zo verkleinen we de kans op vals-negatieve uitslagen en de daaruit voortvloeiende besmettingen. We zorgen ook dat het aantal onterecht positieve uitslagen zo klein mogelijk is. Want ook die situatie is allesbehalve wenselijk. Met onze klanten spreken wij dan ook van tevoren af hoe sensitief en specifiek een test moet zijn.

  • Om de concurrentie voor te zijn, maar ook om aan de markteisen te voldoen; wil je een nieuwe diagnostische test op de markt brengen, dan mag die nooit minder accuraat zijn dan de tests die al op de markt zijn.
  • Wij faciliteren daarin en denken mee.
  • Zo vinden we samen de optimale balans tussen sensitiviteit en specificiteit en streven we altijd hetzelfde doel na.

: Sensitiviteit en specificiteit bij een diagnostische test

Wat is de Achterafkans?

De voorafkans op een bepaalde aandoening gaat op basis van een testuitslag over in een achteraf (posterior) kans. De achterafkans wordt ook wel de voorspellende waarde van een afwijkende testuitslag genoemd. testuitslag inderdaad ziek is.